XLIX.

Ik houd haar handen omvat en druk haar

aan mijn borst.

Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid

te vullen, haar lieve lach met kussen te

rooven, haar donkere blikken met mijn oogen

te drinken.

Maar ach! waar is het? Wie kan het

blaauw van den heemel afrukken?

Ik tracht de schoonheid te grijpen; maar ze

ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn

handen.

Moede en ontmoedigd kom ik terug.

Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de

geest alleen zou kunnen aanraken?

De Hoovenier · 第 70 / 106 题