Ik houd haar handen omvat en druk haar
aan mijn borst.
Ik tracht mijn armen met haar bekoorlijkheid
te vullen, haar lieve lach met kussen te
rooven, haar donkere blikken met mijn oogen
te drinken.
Maar ach! waar is het? Wie kan het
blaauw van den heemel afrukken?
Ik tracht de schoonheid te grijpen; maar ze
ontsnapt me, en laat enkel het lijf in mijn
handen.
Moede en ontmoedigd kom ik terug.
Hoe kan het lijf de bloem bereiken, die de
geest alleen zou kunnen aanraken?