Eerwaarde Heer, vergeef dit paar zondaren.
Lente-winden waayen vandaag in
wilde vlagen, ze drijven stof en doode bladen
voort, en al uw lessen gaan daarbij verlooren.
Zeg niet, vader, dat leeven ijdelheid is.
Want we hebben voor éénmaal een verdrag
met den dood geslooten, en alleen voor
een paar zoetgeurige uuren zijn wij onsterfelijk
gemaakt.
Zelfs als het leeger des koonings kwam,
en ons fel ooverviel, zouden wij droevig het
hoofd schudden en zeggen: Broeders gij
stoort ons. Als ge dit lawaayig spel wilt
speelen, gaat dan elders met uw wapengekletter.
Daar wij toch maar voor een paar
vluchtige uuren onsterfelijk zijn gemaakt.
Als vriendelijke menschen kwamen en om
ons samendrongen, zouden we met bescheiden
buiging tot hen zeggen: Dit bizondere
voorrecht maakt ons verleegen. Er is weinig
ruimte in de oneindige heemel waar wij
woonen. Want in de lente koomen er drommen
bloemen, en de drukke bijen-wiekjes
verdringen elkaar. Ons heemeltje, waar
enkel wij twee onsterfelijken woonen, is zoo
belachelijk naauw.