XLIII.

Neen, mijn vrienden, een askeet word ik

nooit, wat gij ook moogt zeggen.

Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt,

word ik geen askeet.

Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden,

tenzij ik een schaduwig hoekje vind en

gezelschap bij mijn boetedoening.

Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn

haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken

in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke

lach echoot in haar schaduw, en er niet

de tip van een safraan-geele mantel fladdert

in den wind; als haar stilte niet verdiept

wordt door zacht gefluister.

Ik word nooit een askeet.

De Hoovenier · 第 64 / 106 题