Neen, mijn vrienden, een askeet word ik
nooit, wat gij ook moogt zeggen.
Als zij niet met mij samen de gelofte aflegt,
word ik geen askeet.
Ik ben vast beslooten nooit askeet te worden,
tenzij ik een schaduwig hoekje vind en
gezelschap bij mijn boetedoening.
Neen, mijn vrienden, ik zal nooit mijn
haard en huis verlaten, noch mij terugtrekken
in woudeenzaamheid, als er geen vroolijke
lach echoot in haar schaduw, en er niet
de tip van een safraan-geele mantel fladdert
in den wind; als haar stilte niet verdiept
wordt door zacht gefluister.
Ik word nooit een askeet.