O wild, heerlijk dronken!
Als gij uw deuren oopentrapt en den dolle
speelt in 't oopenbaar,
Als ge uw buidel in éénen nacht leedigt en
omzichtigheid voor den neus knipt,
Als ge op zeldzame paden gaat en speelt
met nuttelooze dingen,
Maat noch reede telt,
Als ge met volle zeilen in den storm het
roer in tweeën breekt,
dan doe ik mee, kameraad, en wil dronken
zijn en naar de haayen gaan.
Ik heb mijn dagen en nachten verspild in
gezelschap van wijze, deegelijke buuren.
Veel kennis heeft mijn haren vergraauwd,
en veel opletten maakte mijn blik troebel.
Jaren lang heb ik stukjes en beetjes van
dingen verzameld en opgehoopt.
Sla ze stuk en dans erop, en verstrooi ze
in den wind.
Want ik weet het is hoogste wijsheid, dronken
te zijn en naar de haayen te gaan.
Laat alle kronkelige bedenkingen varen,
laat mij hoopeloos verdwalen.
Laat een vlaag van volle duizeling koomen
en mij van mijn ankers slaan.
De waereld is bevolkt met deftigen, en
met werkers, nuttig en knap.
Er zijn menschen die gemakkelijk vooraan
gaan, en menschen die netjes achteraan
koomen.
Laat hen gelukkig en voorspoedig zijn, en
laat mij een dwaas zijn, die niet meetelt.
Want ik weet, het is 't eind van alle werk,
dronken te zijn en naar de haayen te gaan.
Ik zweer alle aanspraak op den rang van
de fatsoenlijken, in dit oogenblik te verzaken.
Ik laat mijn geleerden-trots varen en mijn
oordeel van goed of kwaad.
Ik vergruizel het vat der herinnering, en
verspil den laatsten traandrop.
Met het schuim van de bes-roode wijn zal
ik mijn lachen baden en klaren.
Voor deeze enkele maal scheur ik aan flarden
het ordeteeken der bezadigden en
welleevenden.
En ik leg de heilige gelofte af, nietswaardig
te zijn, en dronken, en naar de haayen te
gaan.