Een ongeloovig lachje speelt in je oogen,
als ik bij je kom, om afscheid te neemen.
Ik deed het zoo vaak, dat je denkt dat ik
gaauw terug kom.
En oprecht gesprooken: ik denk het óók.
Want de lentedagen koomen keer op keer
weerom; de volle maan neemt afscheid en
herhaalt haar bezoek, de bloemen keeren
weer en bloozen jaar op jaar aan hun
twijgen.--ik denk wel, dat ik alleen
afscheid neem, om bij je terug te koomen.
Maar bewaar de illuzie; wijs haar niet af
met onvriendelijke haast.
Als ik zeg, dat ik je voor altijd verlaat,
neem het aan voor wáár, en laat een tranenfloers
voor een oogenblijk de donkere rand
van je oogen dieper maken.
En glimlach dan zoo schalks als je wilt,
wanneer ik terug kom.