XL.

Een ongeloovig lachje speelt in je oogen,

als ik bij je kom, om afscheid te neemen.

Ik deed het zoo vaak, dat je denkt dat ik

gaauw terug kom.

En oprecht gesprooken: ik denk het óók.

Want de lentedagen koomen keer op keer

weerom; de volle maan neemt afscheid en

herhaalt haar bezoek, de bloemen keeren

weer en bloozen jaar op jaar aan hun

twijgen.--ik denk wel, dat ik alleen

afscheid neem, om bij je terug te koomen.

Maar bewaar de illuzie; wijs haar niet af

met onvriendelijke haast.

Als ik zeg, dat ik je voor altijd verlaat,

neem het aan voor wáár, en laat een tranenfloers

voor een oogenblijk de donkere rand

van je oogen dieper maken.

En glimlach dan zoo schalks als je wilt,

wanneer ik terug kom.

De Hoovenier · 第 61 / 106 题