Den ganschen morgen beproef ik een krans
te vlechten, maar de bloemen glissen en
vallen uit.
Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit
de hoeken van je spiedende oogen.
Vraag die oogen, die donker op ondeugd
zinnen, wiens schuld het was.
Ik tracht een lied te zingen, maar te
vergeefs.
Een verborgen glimlach trilt op je lippen;
vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.
Laat je glimlachende lippen onder eede
zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren
ging als een dronken bij in de lotos.
Het is avond, het is tijd voor de bloemen
hun kelken te sluiten.
Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en
vraag mijn lippen het werk te doen, dat in
stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig
licht van de sterren.