XXXIX.

Den ganschen morgen beproef ik een krans

te vlechten, maar de bloemen glissen en

vallen uit.

Jij zit daar en ziet heimelijk naar me, uit

de hoeken van je spiedende oogen.

Vraag die oogen, die donker op ondeugd

zinnen, wiens schuld het was.

Ik tracht een lied te zingen, maar te

vergeefs.

Een verborgen glimlach trilt op je lippen;

vraag dien, wie de schuld is van mijn mislukking.

Laat je glimlachende lippen onder eede

zeggen, hoe mijn stem in de stilte verlooren

ging als een dronken bij in de lotos.

Het is avond, het is tijd voor de bloemen

hun kelken te sluiten.

Geef mij verlof aan je zijde te zitten, en

vraag mijn lippen het werk te doen, dat in

stilte gedaan kan worden, bij het scheemerig

licht van de sterren.

De Hoovenier · 第 60 / 106 题