Mijn Lief, op zeekeren tijd liet uw dichter
een groot epos in zijn geest van stapel.
Helaas, ik was niet omzichtig genoeg, het
raakte uw rinkelende enkel-ringen en ging
stuk.
Het brak in kleine liedjes en lag vergruisd
aan uw voeten.
Mijn heele lading van vertelsels van oude
oorloogen werd geslingerd door de lachende
golven, gedrenkt in tranen en zonk.
Dit verlies moet gij mij goed-maken, mijn
Lief.
Als mijn aanspraken op onsterfelijke roem
na mijn dood zijn vernietigd, maak mij dan
onsterfelijk in mijn leeven.
En ik zal mijn verlies niet betreuren en u
geen verwijt doen.