XXXVII.

Woudt gij uw krans van frissche bloemen

om mijn hals doen, mijn schoone?

Maar gij moet weeten, dat de eenige krans

die ik gevlochten heb, voor de veelen is, voor

hen, die maar in oogenblikken gezien worden,

die in ondoorzochte landen woonen,

die in dichterzangen leeven.

Het is te laat om mijn hart te vragen, in

ruil voor het uwe.

Er was een tijd dat mijn leeven was als

een knop, al zijn geur was verborgen in zijn

kern.

Nu is het ver en wijd verstrooid.

Wie kent den toover om het weer te vergaderen

en op te sluiten?

Mijn hart is niet het mijne, dat ik aan een

enkele kan geeven, het behoort den veelen.

De Hoovenier · 第 58 / 106 题