Zeg mij toch of dit alles wáár is, mijn
Liefste, zeg mij of het wáár is.
Als deeze oogen hun bliksems flitsen, dan
geeven de wolken in uw borst het stormend
antwoord.
Is het wáár dat mijn lippen liefelijk zijn,
als de ontplooyende knop van de eerste aandachtige
liefde?
Dralen de herinneringen van vervloogen
meimaanden in mijn leeden?
Huivert de aarde van zangen, als een harp,
bij de aanraking van mijn voeten?
Is het wáár, dat de oogen van den nacht
daauwdroppen storten als ik gezien word, en
dat het morgenlicht blijde is als het mijn
lichaam omvademt?
Is het wáár, is het wáár, dat uw liefde eenzaam
reisde door eeuwen en waerelden, om
mij te zoeken?
En dat, toen gij mij eindelijk vondt, uw
eeuwen-oude begeerten volkoomen vreede
vonden in mijn vriendelijke stem en mijn
oogen en lippen en golvend haar?
Is het dan waarlijk wáár, dat het geheimenis
van den Oneindige op dit mijn voorhoofdje
geschreeven is?
Zeg mij toch, mijn Geliefde, of dit alles
wáár is.