XXXIII.

Ik heb u lief, Geliefde. Vergeef mij mijn

liefde.

Als een doolende voogel ben ik gevangen.

Toen mijn hart geschokt werd, verloor het

zijn sluyer en was naakt. Bedek het met

erbarmen, Geliefde, en vergeef mij mijn

liefde.

Als gij mij niet minnen kunt, Geliefde, vergeef

mij mijn leed.

Zie mij niet zijlings aan van uit de verte.

Ik zal terugsluipen naar mijn hoekje en in

't donker zitten.

Met twee handen zal ik mijn naakte

schaamte bedekken.

Wend uw gelaat van mij weg, Geliefde, en

vergeef mij mijn leed.

Als gij mij liefhebt, Geliefde, vergeef mij

mijn vreugde.

Als mijn hart wordt weggesleurd op den

vloed van geluk, glimlach dan niet om mijn

hachelijke veroovering.

Als ik op mijn troon zit en u beheersch

met mijn liefde-tirannie, als ik u mijn gunsten

gedoog als een godin, heb dan geduld met

mijn trots, Geliefde, en vergeef mij mijn

vreugde.

De Hoovenier · 第 50 / 106 题