"Kom bij ons, jongeling, zeg ons naar
waarheid waarom er razernij is in uw
oogen?"
"Ik weet niet welken wijn van wilde papaver
ik dronk, dat er razernij is in mijn oogen."
"O, foei!"
"Wel, er zijn wijzen en er zijn dwazen, er
zijn voorzichtigen en er zijn zorgeloozen. Er
zijn oogen die glimlachen en oogen die
weenen--en in mijn oogen is razernij."
"Jongeling, waarom staat gij zoo stil in den
schaduw van den boom?"
"Mijn voeten zijn loom door de last mijns
harten, en ik sta in den schaduw."
"O foei!"
"Wel, er zijn er die voortstappen op hun
weg en er zijn er die treuzelen, sommigen
zijn vrij, anderen geboeid--en mijn voeten
zijn loom door de last mijns harten."