XXVI.

"Al wat van uw milde handen komt, neem

ik aan. Ik vraag om niets méér."

"Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar,

je vraagt alles wat men heeft."

"Als er een verlooren bloemke voor mij

is, dan zal ik het in mijn hart dragen."

"En als het doornen heeft!"

"Ik zal ze dulden."

"Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar,

je vraagt alles wat men heeft."

"Als je maar ééns je minnende oogen wou

opheffen tot mijn gelaat, dan zou dat mijn

leeven zalig maken tot génerzijds des

doods."

"En als er enkel wreede blikken zijn?"

"Ik zal ze houden om mijn hart te doorbooren."

"Ja, ja, ik ken je, bescheiden beedelaar,

je vraagt alles wat men heeft."

De Hoovenier · 第 43 / 106 题