XX.

Dag aan dag komt hij, en gaat weer heen.

Ga, mijn vriend, en geef hem een bloem

uit mijn haar.

Als hij vraagt wie haar zond, zeg hem dan

mijn naam niet, bid ik je--want hij komt

maar, en gaat weer heen.

Hij zit op het stof onder den boom.

Spreid hem daar een zitplaats met bloemen

en bladen, mijn vriend.

Zijn oogen zijn droef, en zij brengen droefheid

in mijn hart.

Hij zegt niet wat er in hem omgaat; hij

komt maar, en gaat weer heen.

De Hoovenier · 第 37 / 106 题