XXI.

Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen,

de zwervende jongeling, bij het aanbreeken

van den dag?

Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik

hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door

zijn gelaat.

Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of

zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur

te koomen?

Donker zijn de bewolkte nachten in Juli;

zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de

lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.

En telkenmale weeft hij zijn liederen met

nieuwe wijzen.

Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen

vullen zich met den neevel. Waarom verkoos

hij aan mijn deur te koomen?

De Hoovenier · 第 38 / 106 题