Waarom verkoos hij aan mijn deur te koomen,
de zwervende jongeling, bij het aanbreeken
van den dag?
Bij het thuiskomen en het uitgaan ga ik
hem vóór, en mijn blik wordt getrokken door
zijn gelaat.
Ik weet niet of ik hem zal aanspreeken, of
zwijgen. Waarom verkoos hij aan mijn deur
te koomen?
Donker zijn de bewolkte nachten in Juli;
zacht-blaauw is de heemel in den herfst; de
lentedagen zijn onrustig door de Zuidewind.
En telkenmale weeft hij zijn liederen met
nieuwe wijzen.
Ik keer mij af van mijn werk en mijn oogen
vullen zich met den neevel. Waarom verkoos
hij aan mijn deur te koomen?