Je liep langs het pad aan den rivier-oever,
met de volle kruik op de heup.
Waarom keerde je snel je gelaat, en zag
naar mij door je wuivende sluyer?
Die stralende blik uit het donker trof mij
als de bries, die een huivering zendt oover
het rimpelend water en wegvlucht naar den
scheemerigen oever.
Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die
haastig door een lamplooze kamer vliegt,
van 't eene oopen venster tot het andere, om
te verdwijnen in den nacht.
Je bent verborgen als een ster achter de
heuvelen, en ik ben een voorbijganger op
den weg.
Maar waarom hield je een oogenblik stil
en oogde naar mijn gelaat door je sluyer,
toen je langs het oeverpad liep met de volle
kruik op de heup?