XIX.

Je liep langs het pad aan den rivier-oever,

met de volle kruik op de heup.

Waarom keerde je snel je gelaat, en zag

naar mij door je wuivende sluyer?

Die stralende blik uit het donker trof mij

als de bries, die een huivering zendt oover

het rimpelend water en wegvlucht naar den

scheemerigen oever.

Hij kwam tot mij als de avondvoogel, die

haastig door een lamplooze kamer vliegt,

van 't eene oopen venster tot het andere, om

te verdwijnen in den nacht.

Je bent verborgen als een ster achter de

heuvelen, en ik ben een voorbijganger op

den weg.

Maar waarom hield je een oogenblik stil

en oogde naar mijn gelaat door je sluyer,

toen je langs het oeverpad liep met de volle

kruik op de heup?

De Hoovenier · 第 36 / 106 题