XVIII.

Als de twee zusters water gaan halen, dan

glimlachen ze, als ze op deeze plek koomen.

Ze moeten 't bespeuren, dat iemand achter

de boomen staat, als ze gaan om water te

halen.

De twee zusters fluisteren tot elkaar, als

ze deeze plek voorbij gaan.

Ze moeten het geheim geraden hebben,

van dien iemand, die achter de boomen staat

als zij water gaan halen.

Haar kruiken wankelen op eens en morsen

water als ze op deeze plaats koomen.

Ze moeten 't gemerkt hebben, dat iemands

hart klopt, die achter de boomen staat, als

zij water gaan halen.

De twee zusters oogen naar elkaar, als zij

op deeze plek koomen, en zij glimlachen.

Er is een lach in hun snel-stappende voeten,

die verwarring brengt in de ziel van

iemand, die achter de boomen staat, altijd

als ze water gaan halen.

De Hoovenier · 第 35 / 106 题