XVII.

De geele vogel zingt in hun boom en doet

mijn hart van blijdschap dansen.

Wij woonen in hetzelfde dorp, en dat is

ons eenig stukje vreugd.

Haar lievelings-lammer-paar komt grazen

in de schaduw van de boomen in onzen tuin.

Als zij op onzen gerst-akker afdwalen,

neem ik hen in mijn armen.

De naam van ons dorp is Khanjaná, en

Anjaná noemt men onzen stroom.

Mijn naam weet ieder in 't dorp, en zij heet

Ranjaná.

Maar één akker ligt er tusschen ons.

Bijen die nestelen in ons boschje, gaan

hoonig zoeken in het hare.

Bloemen aan haar landing-treeden te water

gelaten, drijven met den stroom voorbij,

waar wij baden.

Mandjes gedroogde Koesm-bloemen koomen

van hun velden op onze markt.

De naam van ons dorp is Khanjaná, en

Anjaná noemt men onzen stroom.

Mijn naam weet ieder in het dorp en zij

heet Ranjaná.

Het wegje dat kronkelt tot hun huis, geurt

in 't voorjaar van mangobloemen.

Als hun vlas rijp is voor den oogst dan

bloeit de hennip op onzen akker.

De sterren, die hun huisje toelachen, zenden

ons denzelfden fonkel-blik.

De reegen die hun vijver doet volstroomen,

verheugt ons kadam-bosch.

De naam van ons dorp is Khanjaná, en

Anjaná noemt men onzen stroom.

Mijn naam weet ieder in het dorp en zij

heet Ranjaná.

De Hoovenier · 第 34 / 106 题