De geele vogel zingt in hun boom en doet
mijn hart van blijdschap dansen.
Wij woonen in hetzelfde dorp, en dat is
ons eenig stukje vreugd.
Haar lievelings-lammer-paar komt grazen
in de schaduw van de boomen in onzen tuin.
Als zij op onzen gerst-akker afdwalen,
neem ik hen in mijn armen.
De naam van ons dorp is Khanjaná, en
Anjaná noemt men onzen stroom.
Mijn naam weet ieder in 't dorp, en zij heet
Ranjaná.
Maar één akker ligt er tusschen ons.
Bijen die nestelen in ons boschje, gaan
hoonig zoeken in het hare.
Bloemen aan haar landing-treeden te water
gelaten, drijven met den stroom voorbij,
waar wij baden.
Mandjes gedroogde Koesm-bloemen koomen
van hun velden op onze markt.
De naam van ons dorp is Khanjaná, en
Anjaná noemt men onzen stroom.
Mijn naam weet ieder in het dorp en zij
heet Ranjaná.
Het wegje dat kronkelt tot hun huis, geurt
in 't voorjaar van mangobloemen.
Als hun vlas rijp is voor den oogst dan
bloeit de hennip op onzen akker.
De sterren, die hun huisje toelachen, zenden
ons denzelfden fonkel-blik.
De reegen die hun vijver doet volstroomen,
verheugt ons kadam-bosch.
De naam van ons dorp is Khanjaná, en
Anjaná noemt men onzen stroom.
Mijn naam weet ieder in het dorp en zij
heet Ranjaná.