XVI.

Handen houden handen vast en oogen verwijlen

aan oogen; zoo begint het verhaal

onzer harten.

Het is de maanlichte Maart-nacht; de zoete

geur van henna is in de lucht; mijn fluit ligt

vergeeten op den grond en de bloemenkrans

is onvoltooid.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig

als een lied.

Je saffraankleurige sluyer maakt mijn

oogen dronken.

De jasmijn-krans, die je voor mij vlocht,

doet mijn hart tintelen als vleierij.

Het is een spel van geeven en terughouden,

van oopenbaren en weer verbergen; wat

glimlachjes, een weinig schuchterheid, en

enkele zoete, vergeefsche worstelingen.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig

als een lied.

Geen geheimenis verder dan het heeden,

geen streeven naar het onmoogelijke, geen

schaduw achter de bekooring, geen reiken in

de diepten van duisternis.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig

als een lied.

Wij dwalen niet van uit alle woorden tot

het eeuwig stille; we strekken onze handen

niet uit in het leedig, naar dingen verder dan

alle hoop.

Het volstaat dat wij geeven en krijgen.

We verpletteren de vreugde niet tot het

uiterste, om er de wijn van smart uit te

persen.

Deeze liefde tusschen jou en mij is eenvoudig

als een lied.

De Hoovenier · 第 33 / 106 题