Ik ren als het muskus-hert rent in de schaduw
van het woud, dol door zijn eigen geur.
De nacht is midden-Mei-nacht, de wind
is Zuide-wind.
Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen,
ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat
ik niet zoek.
Het beeld van mijn eigen begeerte komt
uit mijn hart en danst.
Het stralend vizioen vliedt heen.
Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt
me en leidt me van mijn weg af.
Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg
wat ik niet zoek.