XV.

Ik ren als het muskus-hert rent in de schaduw

van het woud, dol door zijn eigen geur.

De nacht is midden-Mei-nacht, de wind

is Zuide-wind.

Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen,

ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat

ik niet zoek.

Het beeld van mijn eigen begeerte komt

uit mijn hart en danst.

Het stralend vizioen vliedt heen.

Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt

me en leidt me van mijn weg af.

Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg

wat ik niet zoek.

De Hoovenier · 第 32 / 106 题