Ik wandelde langs den weg, ik weet niet
waarom, toen de middag voorbij was en
bamboestengels ritselden in den wind.
De liggende schaduwen omklemden met
uitgestrekte armen de voeten van het vliedende
licht.
De "Koëls" waren zingensmoede.
Ik wandelde langs den weg, ik weet niet
waarom.
De hut aan de waterkant wordt beschaduwd
door een ooverhangende boom.
Iemand was er beezig met haar werk, en
in een hoek maakten haar ringen muziek.
Ik stond voor deeze hut, ik weet niet
waarom.
De smalle kronkelweg kruist meenig
mostertveld en meenig mango-bosch.
Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij
de markt aan de rivier-kade.
Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet
waarom.
Jaren geleeden was het een winderige dag
in Maart, het lente-gerucht was droomerig
en mango-bloesems vielen op het stof.
Het kabbelend water sprong op en lekte
de koperen kan die op de landings-treeden
stond.
Ik denk aan die winderige dag in Maart,
ik weet niet waarom.
De schaduwen donkeren en het vee keert
naar zijn stallen.
Op de eenzame weiden is het licht graauw,
en de dorpelingen wachten aan den oever
op de veerboot.
Ik keer langsaam terug op mijn schreeden--ik
weet niet waarom.