XIV.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet

waarom, toen de middag voorbij was en

bamboestengels ritselden in den wind.

De liggende schaduwen omklemden met

uitgestrekte armen de voeten van het vliedende

licht.

De "Koëls" waren zingensmoede.

Ik wandelde langs den weg, ik weet niet

waarom.

De hut aan de waterkant wordt beschaduwd

door een ooverhangende boom.

Iemand was er beezig met haar werk, en

in een hoek maakten haar ringen muziek.

Ik stond voor deeze hut, ik weet niet

waarom.

De smalle kronkelweg kruist meenig

mostertveld en meenig mango-bosch.

Hij gaat voorbij den dorpstempel en voorbij

de markt aan de rivier-kade.

Ik hield stil bij deeze hut, ik weet niet

waarom.

Jaren geleeden was het een winderige dag

in Maart, het lente-gerucht was droomerig

en mango-bloesems vielen op het stof.

Het kabbelend water sprong op en lekte

de koperen kan die op de landings-treeden

stond.

Ik denk aan die winderige dag in Maart,

ik weet niet waarom.

De schaduwen donkeren en het vee keert

naar zijn stallen.

Op de eenzame weiden is het licht graauw,

en de dorpelingen wachten aan den oever

op de veerboot.

Ik keer langsaam terug op mijn schreeden--ik

weet niet waarom.

De Hoovenier · 第 31 / 106 题