XIII.

Ik vroeg niets, ik stond alleen aan den

woudrand achter den boom.

Vaak lag nog op de oogen van den dageraad,

en de daauw was in de lucht.

De loome geur van het vochtige gras hong

in de dunne neevel booven de aarde.

Onder den banjan-boom melkte je de koe

met je handen, die week en frisch zijn als

booter.

En ik stond stil.

Ik zeide geen woord. De voogel zong ongezien

in het struweel.

De mango-boom strooide zijn bloemen op

den dorpsweg, en zoemend kwamen de bijen,

één voor één.

Naast den vijver was de poort van Shiwa's

tempel geöopend en de geloovige had zijn

zangen begonnen.

Met de emmer op je schoot melkte je

de koe.

Ik stond met mijn leedige kruik.

Ik kwam niet digt bij je.

Bij de klank van de gong aan den tempel

ontwaakte de heemel.

Het stof wolkte op door de hoeven van

het voortgedreeven vee op den weg.

Vrouwen kwamen van de rivier, met de

klotsende kruiken op hun heup.

Je armbanden rinkelden en het schuim

stond aan den rand van de emmer.

De morgen verging en ik kwam niet digt

bij je.

De Hoovenier · 第 30 / 106 题