Ik vroeg niets, ik stond alleen aan den
woudrand achter den boom.
Vaak lag nog op de oogen van den dageraad,
en de daauw was in de lucht.
De loome geur van het vochtige gras hong
in de dunne neevel booven de aarde.
Onder den banjan-boom melkte je de koe
met je handen, die week en frisch zijn als
booter.
En ik stond stil.
Ik zeide geen woord. De voogel zong ongezien
in het struweel.
De mango-boom strooide zijn bloemen op
den dorpsweg, en zoemend kwamen de bijen,
één voor één.
Naast den vijver was de poort van Shiwa's
tempel geöopend en de geloovige had zijn
zangen begonnen.
Met de emmer op je schoot melkte je
de koe.
Ik stond met mijn leedige kruik.
Ik kwam niet digt bij je.
Bij de klank van de gong aan den tempel
ontwaakte de heemel.
Het stof wolkte op door de hoeven van
het voortgedreeven vee op den weg.
Vrouwen kwamen van de rivier, met de
klotsende kruiken op hun heup.
Je armbanden rinkelden en het schuim
stond aan den rand van de emmer.
De morgen verging en ik kwam niet digt
bij je.