VIII.

Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed,

ontwaakte ik met de vroege voogels.

Ik zat voor mijn oopen venster, met een

versche krans op mijn los haar.

De jonge reiziger kwam den weg af in de

roze morgenneevel.

Een paerelsnoer was om zijn hals en de

zonnestralen vielen op zijn kruin.

Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij

met een greetigen uitroep: "Waar is zij?"

Van louter schaamte kon ik niet zeggen:

"Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik."

Het scheemerde en de lamp brandde niet.

Lusteloos vlechtte ik mijn haren.

De jonge reiziger kwam op zijn wagen in

den gloed der ondergaande zon.

De paarden schuimbekten en er was stof

op zijn gewaad.

Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met

vermoeide stem: "Waar is zij?"

Van louter schaamte kon ik niet zeggen:

"Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik."

Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in

mijn kamer.

Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke

papagaai slaapt in zijn kooi.

Mijn keurs heeft de kleur van een

paauwehals, mijn mantel is groen als jong

gras.

Ik zit op den vloer bij 't venster en let op

de verlaten straat.

Door den donkeren nacht blijf ik neurieën:

"Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik."

De Hoovenier · 第 25 / 106 题