Toen de lamp uitdoofde naast mijn bed,
ontwaakte ik met de vroege voogels.
Ik zat voor mijn oopen venster, met een
versche krans op mijn los haar.
De jonge reiziger kwam den weg af in de
roze morgenneevel.
Een paerelsnoer was om zijn hals en de
zonnestralen vielen op zijn kruin.
Hij stond stil voor mijn deur en vroeg mij
met een greetigen uitroep: "Waar is zij?"
Van louter schaamte kon ik niet zeggen:
"Zij is Ik, jonge reiziger, Zij is Ik."
Het scheemerde en de lamp brandde niet.
Lusteloos vlechtte ik mijn haren.
De jonge reiziger kwam op zijn wagen in
den gloed der ondergaande zon.
De paarden schuimbekten en er was stof
op zijn gewaad.
Hij stapte uit voor mijn deur en vroeg met
vermoeide stem: "Waar is zij?"
Van louter schaamte kon ik niet zeggen:
"Zij is Ik, moede reiziger, Zij is Ik."
Het is een Aprilnacht. De lamp brandt in
mijn kamer.
Zachtkens komt de Zuidewind. De praatzieke
papagaai slaapt in zijn kooi.
Mijn keurs heeft de kleur van een
paauwehals, mijn mantel is groen als jong
gras.
Ik zit op den vloer bij 't venster en let op
de verlaten straat.
Door den donkeren nacht blijf ik neurieën:
"Zij is Ik, vertwijfelend reiziger, Zij is Ik."