Als ik des nachts alleen naar de samenkomst
van minne ga, dan zingen de voogels
niet, de wind roert zich niet, stom staan de
huizen ter weerszij van de straat.
Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig
worden bij elken stap, en ik schaam
mij.
Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap
luister, dan ritselen de bladen niet aan
de boomen, het water in de rivier is stom
als het zwaard op de knieën van een ingeslapen
schildwacht.
Het is mijn eigen hart dat wild slaat--ik
weet niet hoe ik het zal doen bedaren.
Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde
zit, als mijn lijf beeft en mijn oogleeden
needergaan, dan wordt de nacht donker, de
wind blaast de lamp uit, en de wolken trekken
sluyers oover de starren.
Het is het juweel op mijn eigen borst dat
glans en licht geeft. Ik weet niet hoe ik het
moet verbergen.