IX.

Als ik des nachts alleen naar de samenkomst

van minne ga, dan zingen de voogels

niet, de wind roert zich niet, stom staan de

huizen ter weerszij van de straat.

Het zijn mijn eigen enkel-ringen, die luidruchtig

worden bij elken stap, en ik schaam

mij.

Als ik op mijn balkon zit en naar zijn voetstap

luister, dan ritselen de bladen niet aan

de boomen, het water in de rivier is stom

als het zwaard op de knieën van een ingeslapen

schildwacht.

Het is mijn eigen hart dat wild slaat--ik

weet niet hoe ik het zal doen bedaren.

Als mijn geliefde komt en aan mijn zijde

zit, als mijn lijf beeft en mijn oogleeden

needergaan, dan wordt de nacht donker, de

wind blaast de lamp uit, en de wolken trekken

sluyers oover de starren.

Het is het juweel op mijn eigen borst dat

glans en licht geeft. Ik weet niet hoe ik het

moet verbergen.

De Hoovenier · 第 26 / 106 题