O moeder, de jonge Prins zal onze deur
voorbij koomen--hoe kan ik dan aan mijn
werk blijven van ochtend?
Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten;
zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.
Waarom zie je zoo verwonderd naar mij,
moeder?
Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar
mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk
uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende
zang van de fluit zal klagend tot mij
koomen van verre.
Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij
koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op
mijn best kleeden.
O moeder, de jonge Prins is onze deur
voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde
van zijn wagen.
Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg,
ik reet het robijn-snoer van mijn hals en
wierp het op zijn pad.
Waarom zie je zoo verwonderd naar mij,
moeder?
Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam;
ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn
wielen en een roode vlek liet op het stof, en
niemand weet wat mijn gave was, noch voor
wien.
Maar de jonge Prins is onze deur voorbij
gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn
borst op zijn weg.