VII.

O moeder, de jonge Prins zal onze deur

voorbij koomen--hoe kan ik dan aan mijn

werk blijven van ochtend?

Toon mij hoe ik mijn haar moet vlechten;

zeg mij wat kleed ik zal aantrekken.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij,

moeder?

Ik weet wel dat hij niet zal opzien naar

mijn vensters; ik weet dat hij in een oogwenk

uit mijn gezicht zal zijn; alleen de wegstervende

zang van de fluit zal klagend tot mij

koomen van verre.

Maar de jonge Prins zal onze deur voorbij

koomen en ik zal mij voor dat oogenblik op

mijn best kleeden.

O moeder, de jonge Prins is onze deur

voorbij gekoomen en de morgenzon flikkerde

van zijn wagen.

Ik vaagde de sluyer van mijn gelaat weg,

ik reet het robijn-snoer van mijn hals en

wierp het op zijn pad.

Waarom zie je zoo verwonderd naar mij,

moeder?

Ik weet wel dat hij mijn snoer niet opnam;

ik weet dat het verbrijzeld werd onder zijn

wielen en een roode vlek liet op het stof, en

niemand weet wat mijn gave was, noch voor

wien.

Maar de jonge Prins is onze deur voorbij

gekoomen en ik wierp de juweelen van mijn

borst op zijn weg.

De Hoovenier · 第 24 / 106 题