VI.

De tamme voogel was in een kooi, de vrije

voogel was in 't woud.

Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo

wilde het 't noodlot.

De vrije voogel roept: "O geliefde, laat ons

vluchten naar 't woud".

De gevangen voogel fluistert: "Kom hier,

laat ons samen woonen in de kooi".

Zegt de vrije voogel: "Waar is ruimte tusschen

de tralies om de wieken uit te slaan?"

"Helaas!" roept de gekooide voogel: "Ik

weet niet waar ik zou kunnen neerzitten in

den vrijen heemel."

De vrije voogel roept: "Mijn lieveling, zing

het lied der woudstreeken."

De kooi-voogel zegt: "Zit bij mij neer, ik

zal u de taal der wijzen leeren!"

De woudvoogel roept: "O neen! neen!

zangen kunnen nooit geleerd worden."

De kooi-voogel zegt: "Wee mij! ik ken de

zangen der woudstreeken niet."

Hun liefde is heftig van verlangen, maar

zij kunnen nooit vliegen wiek aan wiek.

Zij zien door de tralies van de kooi, en te

vergeefs is hun wensch om elkander te

kennen.

Zij fladderen met hun vleugels in verlangen

en zingen: "Kom digterbij, mijn geliefde!"

De vrije voogel roept: "Het gaat niet, ik

ben bang voor de geslooten deurtjes van de

kooi."

De kooi-voogel fluistert: "Helaas, mijn wieken

zijn machteloos en dood."

De Hoovenier · 第 23 / 106 题