De tamme voogel was in een kooi, de vrije
voogel was in 't woud.
Zij ontmoetten elkaar te gezetter tijd, zoo
wilde het 't noodlot.
De vrije voogel roept: "O geliefde, laat ons
vluchten naar 't woud".
De gevangen voogel fluistert: "Kom hier,
laat ons samen woonen in de kooi".
Zegt de vrije voogel: "Waar is ruimte tusschen
de tralies om de wieken uit te slaan?"
"Helaas!" roept de gekooide voogel: "Ik
weet niet waar ik zou kunnen neerzitten in
den vrijen heemel."
De vrije voogel roept: "Mijn lieveling, zing
het lied der woudstreeken."
De kooi-voogel zegt: "Zit bij mij neer, ik
zal u de taal der wijzen leeren!"
De woudvoogel roept: "O neen! neen!
zangen kunnen nooit geleerd worden."
De kooi-voogel zegt: "Wee mij! ik ken de
zangen der woudstreeken niet."
Hun liefde is heftig van verlangen, maar
zij kunnen nooit vliegen wiek aan wiek.
Zij zien door de tralies van de kooi, en te
vergeefs is hun wensch om elkander te
kennen.
Zij fladderen met hun vleugels in verlangen
en zingen: "Kom digterbij, mijn geliefde!"
De vrije voogel roept: "Het gaat niet, ik
ben bang voor de geslooten deurtjes van de
kooi."
De kooi-voogel fluistert: "Helaas, mijn wieken
zijn machteloos en dood."