Ik ben rusteloos. Mij dorst naar verre
dingen.
Mijn ziel gaat uit in verlangen om het kleed
aan te raken van de scheemerige verte.
O groot Génerzijds! O dringende roep van
uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik
geen vleugels heb, dat ik voor eeuwig aan
deeze plek gebonden ben.
Ik ben greetig en waaksaam, een vreemdeling
in een vreemd land.
Uw Adem bereikt mij en fluistert een onmoogelijke
verwachting.
Uw spraak wordt door mijn hart gekend
als zijn eigene.
O Gij die verre te zoeken zijt, o de dringende
roep van uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat ik
den weg niet ken, dat ik het gevleugelde
paard niet heb.
Ik ben lusteloos, ik ben een zwerver van
harte.
In den zonnigen neevel van de kwijnende
uuren, welk van uw machtige vizioenen
neemt vorm aan in het blaauw des heemels?
O verst verwijderd Eind, o dringende roep
van uw pijpen.
Ik vergeet, ik vergeet telkens weer, dat
de poorten ooveral geslooten zijn, in het huis
waar ik eenzaam woon.