Te vergeefs roep ik: "Ik ken u niet."

Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn

neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn

aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen

kennen sommigen.

Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en

zeg: "Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt

vrij!"

Des morgens luidt de klok in den tempel.

Zij koomen met hun manden in de hand.

Hun voeten zijn roozerood. Het vroege

licht van de dageraad is op hun gelaat.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en

zeg: "Komt in mijn tuin om bloemen te plukken.

Komt gerust."

In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.

Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten

en treuzelen bij mijn heg.

De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt;

de toonen kwijnen in hun fluiten.

Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en

zeg: "Onder mijn boomen is de schaduw koel.

Komt vrienden!"

Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.

Wie komt er langsaam tot mijn deur en

klopt zachtkens?

Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt

gesprooken, ooveral-om is de stilte van den

heemel.

Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik

zie naar het gelaat in 't duister en uuren van

droomen gaan voorbij.

De Hoovenier · 第 21 / 106 题