Mijn vingers kennen enkelen hunner, mijn
neusgaten kennen anderen, het bloed in mijn
aderen schijnt hen te kennen, en mijn droomen
kennen sommigen.
Hen wegjagen kan ik niet. Ik roep hen en
zeg: "Kom in mijn huis wie lust heeft. Komt
vrij!"
Des morgens luidt de klok in den tempel.
Zij koomen met hun manden in de hand.
Hun voeten zijn roozerood. Het vroege
licht van de dageraad is op hun gelaat.
Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en
zeg: "Komt in mijn tuin om bloemen te plukken.
Komt gerust."
In den middag klinkt de gong aan de paleis-poort.
Ik weet niet waarom zij hun werk verlaten
en treuzelen bij mijn heg.
De bloemen in hun haar zijn bleek en verwelkt;
de toonen kwijnen in hun fluiten.
Wegjagen kan ik hen niet. Ik roep hen en
zeg: "Onder mijn boomen is de schaduw koel.
Komt vrienden!"
Des nachts sirpen de kreekels in het bosch.
Wie komt er langsaam tot mijn deur en
klopt zachtkens?
Vaag zie ik een gelaat, geen woord wordt
gesprooken, ooveral-om is de stilte van den
heemel.
Wegjagen kan ik mijn stille gast niet. Ik
zie naar het gelaat in 't duister en uuren van
droomen gaan voorbij.