Des morgens wierp ik mijn net uit in de
zee.
Uit de donkere diepte haalde ik dingen
op van wonderlijk aanzien en vreemde
schoonheid. Sommigen glansden als een
glimlach, sommigen blonken als tranen, en
anderen bloosden als de wangen eener
bruid.
Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche
vracht, zat mijn lief in den hof en
trok ijdelijk de bladen uit een bloem.
Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan
haar voeten alles wat ik opgehaald had, en
wachtte zwijgend.
Zij oogde er naar, en zeide:
"Wat voor zonderlinge dingen zijn dat?
Ik weet niet waarvoor zij dienen."
Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht:
"ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze
niet op de markt, dat zijn geen waardige
geschenken voor haar."
En den heelen nacht dóór wierp ik hen
één voor één op straat.
Des morgens kwamen reizigers; zij raapten
hen op en droegen hen naar verre landen.