III.

Des morgens wierp ik mijn net uit in de

zee.

Uit de donkere diepte haalde ik dingen

op van wonderlijk aanzien en vreemde

schoonheid. Sommigen glansden als een

glimlach, sommigen blonken als tranen, en

anderen bloosden als de wangen eener

bruid.

Toen ik huiswaarts keerde met mijn dagelijksche

vracht, zat mijn lief in den hof en

trok ijdelijk de bladen uit een bloem.

Ik weifelde een oogenblik, legde toen aan

haar voeten alles wat ik opgehaald had, en

wachtte zwijgend.

Zij oogde er naar, en zeide:

"Wat voor zonderlinge dingen zijn dat?

Ik weet niet waarvoor zij dienen."

Ik boog beschaamd mijn hoofd en dacht:

"ik heb er niet voor gevochten, ik kocht ze

niet op de markt, dat zijn geen waardige

geschenken voor haar."

En den heelen nacht dóór wierp ik hen

één voor één op straat.

Des morgens kwamen reizigers; zij raapten

hen op en droegen hen naar verre landen.

De Hoovenier · 第 19 / 106 题