II.

O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.

Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht

van het génerzijds?

"Het is avond" zei de dichter "en ik luister

of iemand mocht roepen uit het dorp, al is

het ook laat.

Ik geef acht, of jonge zwervende harten

elkander soms ontmoeten, of twee paar greetige

oogen soms muziek verlangen om hun

zwijgen te breeken, en om voor hen te

spreeken.

Wie zou hun hartstochtelijke zangen

vlechten, als ik aan den rand des leevens zat,

in beschouwing van den dood en het

génerzijds?

De vroege avondster verdwijnt.

De gloed van een dooden-brandstapel

sterft langsaam weg bij de stille rivier.

Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit

den hof van het verlaten huis, in het licht

der kwijnende maan.

Als nu een zwerver, na 't verlaten van zijn

huis, hier kwam om acht te geeven op den

nacht, en met geboogen hoofd te luisteren

naar het murmelen der duisternis, wie zou

hem dan de geheimen van het Leeven in 't

oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en

mijzelven trachtte te bevrijden uit sterfelijke

banden?

Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.

Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als

de jongste en de oudste van dit dorp.

Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig,

sommigen een schalke tinteling in hun

oogen.

Sommigen hebben tranen die in het daglicht

opwellen, anderen hebben tranen die

in 't duister verborgen blijven.

Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen

tijd om oover het hiernamaals te peinzen.

Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt

het uit dat mijn haar vergraauwt?"

De Hoovenier · 第 18 / 106 题