O, dichter, de avond valt, uw haar vergraauwt.
Hoort gij, in uw eenzaam gepeins, bericht
van het génerzijds?
"Het is avond" zei de dichter "en ik luister
of iemand mocht roepen uit het dorp, al is
het ook laat.
Ik geef acht, of jonge zwervende harten
elkander soms ontmoeten, of twee paar greetige
oogen soms muziek verlangen om hun
zwijgen te breeken, en om voor hen te
spreeken.
Wie zou hun hartstochtelijke zangen
vlechten, als ik aan den rand des leevens zat,
in beschouwing van den dood en het
génerzijds?
De vroege avondster verdwijnt.
De gloed van een dooden-brandstapel
sterft langsaam weg bij de stille rivier.
Het koor van jakhalzen schreeuwt van uit
den hof van het verlaten huis, in het licht
der kwijnende maan.
Als nu een zwerver, na 't verlaten van zijn
huis, hier kwam om acht te geeven op den
nacht, en met geboogen hoofd te luisteren
naar het murmelen der duisternis, wie zou
hem dan de geheimen van het Leeven in 't
oor fluisteren, als ik mijn deuren sloot en
mijzelven trachtte te bevrijden uit sterfelijke
banden?
Dat mijn haar vergraauwt is een kleinigheid.
Ik ben altijd eeven jong of eeven oud als
de jongste en de oudste van dit dorp.
Sommigen hebben lachjes, lief en eenvoudig,
sommigen een schalke tinteling in hun
oogen.
Sommigen hebben tranen die in het daglicht
opwellen, anderen hebben tranen die
in 't duister verborgen blijven.
Zij hebben mij allen noodig, en ik heb geen
tijd om oover het hiernamaals te peinzen.
Ik ben van elk een tijdgenoot. Wat maakt
het uit dat mijn haar vergraauwt?"