Meesters voorspelling.
»Hoera, hoera!« jubelden alle kinderen, toen de trein het station
verliet.
»Dag Harms, tot van avond!« riepen twee jongens- en twee
meisjesstemmen.
»Veel plezier!« schreeuwde de boer. Maar de kinderen verstonden hem
niet meer.
»Daar gaan we heen,« zei Nel, en haar oogen schitterden. Het landschap
scheen voorbij te vliegen.
Alle kinderen keken naar de telegraafpalen en de draden. Wat bogen die
prachtig; kijk, tot onder de raampjes. Maar dan ineens: roef, daar
glierden ze de hoogte in.
De zon scheen heerlijk boven de lage graslanden, waarin bonte koeien
langzaam liepen. Ze holden niet op een drafje weg: ze waren al gewend
aan den rammelenden trein.
Elk station werd door de kinderen met gejubel begroet. De reizigers,
die in- of uitstapten, lachten en wuifden met de handen. Ze waren
allemaal even aardig; en de conducteur niet minder. Zelfs de
courantenjongen trok een grappig gezicht.
[Illustratie]
»Wat is het toch heerlijk om zoo te reizen; vind je niet?« vroeg Kee.
»Nou!« antwoordde Nel.
Samen stonden ze voor een portierraam.
»Voorzichtig, Kee; straks waaien je krullen weg,« zei meester. Meteen
voelde hij eens, of 't portier wel goed gesloten was.
»Hoe vind je de wereld?« vroeg hij.
»Mooi, prachtig, heerlijk,« riepen eenige stemmen door elkaar.
»Maar Jo moet een beetje z'n hoofd naar binnen trekken. Kom eens hier,
kameraad!« zei meester.
Jo kwam.
»Geef me je hand eens! Ja, dat had je niet gedacht, hé, dat ik de
toekomst voorspellen kon.«
»Dat kan u ook niet,« lachte Jo.
Een stuk of wat neuzen werden naar meester en Jo toegedraaid.
»Of ik dat kan! Je hebt een verkeerde lijn in je hand, baasje. Je
verliest je geld, of je scheurt je broek, of je loopt in een sloot....
Wees maar voorzichtig!«
De kinderen lachten.
»U weet er niets van,« riepen ze.
»'t Gebeurt vast,« zei meester. Maar hij trok daarbij zoo'n lachend
gezicht, dat toch niemand hem geloofde.
»Kijk, nu gaan we om Zwolle heen; daar heb je den watertoren!«
Alle oogen gluurden weer naar buiten.
De trein draaide, en draaide, maar eindelijk stoomde hij tusschen een
massa rails door.
»Rrrrrrr« deden de remmen. Een schok en »Zwolle, Zwolle«, riep de
conducteur.
Even later stonden meester en juffrouw met d'r kinderen op het perron.
En nog wat later trokken ze door de stad. »Mooi«, riepen de jongens en
meisjes, en ze bewonderden de Sassenpoort.
»Mooi«, herhaalden ze, en ze wandelden door de Diezerstraat. Toen ze
de stad bekeken hadden, kuierden ze naar buiten. Want ze wilden naar
den IJsel.
Ze gingen door een prachtig park: het Engelsche werk heette het.
Allemaal vijvers en brugjes en eilandjes en boomen!
Daar kwamen ze op een hoogte aan.
»Om 't hardst, jongens; wie 't eerst bij dat brugje is!«
En meteen zette Jo het op een loopen; en Klaas volgde hem en al de
andere jongens ook. Zelfs sommige meisjes holden achter hen aan.
Dat was me een gedraaf!
En schreeuwen, dat de bengels deden!
Jo bleef voor. Vlak achter zich hoorde hij z'n kameraden hijgen en
razen.
Nog een paar stappen, dan had hij 't gewonnen.
»Hoera!« riep hij, en meteen zou hij de leuning van het brugje
grijpen.
Maar op hetzelfde oogenblik kwam z'n voet tegen den grasrand. Hij
struikelde, verloor het evenwicht, en....
»Ploemp«, klonk het in den vijver.
»Help!« schreeuwde een jongensstem.
»Help, help!« riepen al de andere, zoodat de meester en de juffrouw op
een draf kwamen aanloopen.
Gelukkig was de vijver erg ondiep.
Jo scharrelde overeind, terwijl hij een deuntje huilde.
Het kroos plekte op z'n kleeren en kleefde aan z'n haren.
Klaas stak hem een hand toe, en trok hem tegen den graswal op.
Het water droop den jongen overal uit; geen wonder, hij was kopjen
onder geweest.
»Daar staan we nu«, zei meester. »Wat nu?«
[Illustratie]
Ja, wat moesten ze nu doen?
De een keek den ander aan, maar niemand wist het.
Zoo stonden ze rondom den druipenden drenkeling heen.
En die drenkeling keek wèl zoo bedroefd. Al zijn plezier was
verdwenen.