XVIII.

Hoera! daar gaan ze.

't Was nog vroeg in den morgen.

Toch was het erg druk op het schoolplein. Daar hadden zich alle

kinderen uit de hoogste klassen verzameld. En daar stonden ze nu, en

maakten lawaai en wachtten--ja, wachten deden ze vooral.

»Daar komt er een; daar komt er een«, klonk het ineens.

»Waar, waar?« gilden enkele stemmen.

»Kijk, daar om den hoek!«

Ja, daar kwam een wagen aanrollen.

»Wie is het?« vroeg Jo.

»Jan Harms; kijk de bruine eens loopen,« zei Klaas.

Snel naderde de wagen; daar ging hij over de brug met een vreeselijk

geweld.

»Ho«, riep Harms, en Bruin bleef snuivend staan.

»Hoera!« riepen de kinderen.

»Harms, wat heb je den wagen mooi versierd!«

»Vind je?« lachte de boer.

»Prachtig,« riepen de kinderen.

»Daar komt er weer een aan!« schreeuwden een paar stemmen.

»En van dien kant ook een,« klonk het.

»Allebei versierd; kijk toch eens, wat mooi!«

De boeren hadden werkelijk d'r best gedaan om hun wagens mooi te

maken. Met groen en bloemen waren ze getooid en de paarden droegen

kleurige kwasten aan het hoofdstel en strikken op den staart.

Elke wagen werd door de kinderen met luide »hoera's« begroet.

Eindelijk waren er zes.

[Illustratie]

»Nou komt de meester niet,« riepen een paar ongeduldige kinderen. »Als

hij zich maar niet verslaapt....«

»En de juffrouw is er ook nog niet. We komen nog te laat aan den

trein.«

Nu, daar behoefden ze niet bang voor te zijn.

Daar was de meester al.

»Wat ben jelui allemaal vroeg,« zei hij. »We hadden immers afgesproken

zes uur, en 't is er nog tien minuten voor. En de wagens zijn ook al

present?«

»Ja meester, wij komen op tijd,« zei Harms. »De bruine wordt al

ongeduldig; zullen we maar beginnen met die bengels in te laden?«

»Gaat je gang maar, mannen!«

Toen liet meester de kinderen bij groepjes van vijf of zes door 't hek

gaan. Zoo ging het ordelijk en ieder kreeg een plaats.

Klaas en Jo en Nel en Kee bleven naast elkaar staan en zoo raakten ze

in denzelfden wagen.

»Gelukkig, we zitten bij Harms,« zei Klaas.

»Waarom gelukkig?« vroeg Jo zacht.

»Nou, dat is zoo'n aardige man; ik wed, dat we straks ook wel eens

mogen mennen.«

Daar kwam de juffrouw aan.

»Bijna te laat, juffrouw,« riep Harms.

»Mooi op tijd, Harms,« zei ze. En meteen stapte ze bij hem in den

wagen.

»Alles klaar, ja?« vroeg de meester. »Vooruit dan maar!«

De paarden bogen de halzen voorover en zetten aan.

[Illustratie]

»Hoera, hoera!« riepen de kinderen Ze wuifden met handen en zakdoeken

naar familieleden en vrienden, die achter bleven.

Daar ging het heen in fikschen draf.

»Zingen, jongens!« riep Harms.

De kinderen zongen hun hoogste lied. Maar hun stemmen bibberden zoo op

den stootenden wagen, dat ze gauw moe werden.

Daar gingen ze voorbij het huis van meneer Veenhof.

»Hoera, hoera!« riep »dubbele twee.«

»Veel plezier,« hoorden ze meneer en mevrouw roepen.

Daar stonden de kleine huisjes, waarin Klaas en Kee woonden.

»Hoera, hoera!« klonk het opnieuw.

»Hoera!« schreeuwden de broertjes en zusjes terug, en ze wuifden,

evenals de ouders, met de handen.

Joelend, lachend, zingend reden de kinderen naar het naaste station.

En, wat het mooiste was: de jongens mochten mennen ook.

Bruin was erg mak en liep rustig achter den voorgaanden wagen. En

Harms hield in elk geval 't eind van 't leidsel vast. Hij was er toch

niet zeker van, dat de kleine handen het niet even zouden laten

glippen.

't Was een heerlijke tocht, die reis naar 't station.

De zon scheen helder, de morgen was frisch, en de blaadjes glommen van

den dauw.

In de struiken en boomen langs den weg hipten en wipten de vogels.

In de weilanden sprongen paarden en koeien en schapen verschrikt weg,

als ze de ratelende wagens hoorden.

't Was een pracht van een tocht, dien de kinderen maakten.

En toch waren ze ook al weer blij, toen ze de spoorlijn zagen. Want

nu.... ja, nu zouden ze met den trein reizen, met den trein, die er

zoo holderdebolder van door ging....!

Dat was nog wat anders dan met een wagen; nou, of!

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 26 / 32 题