XVII.

Kinderverdriet.

In de schoolkast van meester Fransen stond een blikken sigarenkistje.

Als meester 't opnam en even schudde, rammelde het verschrikkelijk.

Want er zat geld in, veel geld: guldens en dubbeltjes, maar vooral

centen.

»Ik ben maar goed af«, zei meester. »De kinderen zorgen, dat ik een

vetten spaarpot krijg.«

»Dat zou u wel willen, dat hij van u was«, zei dan soms zoo'n brutale

jongen. »Maar hij is lekkertjes van ons.«

En dat was de waarheid ook. De kinderen spaarden voor een

schoolreisje: elke week gaven ze een halven stuiver.

Dit jaar zouden ze naar Zwolle gaan.

En--wat het mooiste was--, alle kinderen gingen mee. Niet één behoefde

er thuis te blijven, omdat vader en moeder geen halven stuiver konden

missen.

Dat meende de meester, en dat meenden de kinderen ook allemaal. En

toch dachten ze verkeerd.

Want op een morgen, toen meester bezig was de borden te beschrijven,

kwam er een meisje het lokaal binnen.

Ze schreide.

»Wat mankeert er aan, Roelofje?« vroeg meester.

[Illustratie]

»Meester...., ik wou.... wou.... graag mijn geld.... terug hebben«,

snikte ze.

»Je geld terug, wàt geld?«

»Van het schoolreisje...., en dat van Jacob ook, meester.«

»Ga jelui dan niet mee naar Zwolle?«

»Nee meester; we mogen niet.... Vader is ziek, en.... nu heeft moeder

't geld noodig.«

Meester wist wel, dat de vader van Roelofje en Jacob ziek was. De man

had longontsteking gehad en was nog niet heelemaal genezen. Hij

begreep best, dat de vrouw nu 't reisgeld voor haar kindertjes niet

missen kon.

Hij reikte Roelofje 't geld over en vroeg: »Wat zegt de dokter van je

vader?«

»Vader moet nog een paar weken rust nemen, meester.«

»Zoo, zoo; nu ik zal eens bij jelui aanloopen, hoor!«

Denzelfden dag wist de heele school al, dat twee kinderen niet mee

gingen naar Zwolle. De tranen van Roelofje en van Jacob hadden 't half

verteld, de twee stakkers zelf de rest.

En iedereen begreep wel, waarom ze niet mee mochten. 't Huisgezin was

arm, en nu de vader ziek!

»Hè, wat jammer«, fluisterden een paar stemmen.

Menig gezichtje stond ernstig, omdat er nu twee thuisblijvers zouden

zijn. O, er waren ook wel kinderen, die alleen aan zich zelf dachten!

Maar de meesten hadden graag de helft van d'r pleizier aan Roelofje en

Jacob willen geven.

Als 't maar gekund had.

Toen Jo en Nel des middags thuis kwamen, vertelden ze alles aan moe.

Pa was voor zaken op reis en zou een paar dagen in de provincie

Groningen vertoeven.

»Vindt u 't niet naar, moe, dat ze nou moeten thuisblijven?« vroeg Jo.

»Ja, dat is wel naar«, zei moe. »Nu gaan jelui allemaal pret maken, en

zij alleen mogen niet mee.«

»Meester kon ze ook wel zoo laten, meegaan, zonder betalen«, meende

Nel.

»'t Zou kunnen«, zei moe, »maar 't is toch beter, dat ze wel betalen.«

»Maar dat kunnen ze niet«, riep Jo. En toen keek hij moe ineens

ernstig aan en zei: »Toe moe, laten wij ze helpen.«

»Ja, toe moe«, vleide Nel met haar liefste stemmetje. »Geef ons straks

geld mee, dan zullen wij dat aan den meester geven.«

»Nee, daar kan niets van komen«, zei moe.

Over de gezichten van Jo en Nel gleed een schaduw; en d'r oogen werden

een beetje vochtig.

»Dwaze kinderen, vertrouw je nu je eigen moeder niet meer?«

Moe lachte.

»'t Komt wel goed, hoor; weest maar gerust!«

't Kwam goed.

Des middags wandelde moe naar het huisje, waarin de ouders van

Roelofje en Jacob woonden.

Wat ze er deed?

Niemand, die het gewaar werd. Maar alle kinderen uit het lokaal van

meester Fransen zouden Zwolle zien: Roelofje en Jacob ook. En als

later de moeder van dat tweetal over mevrouw Veenhof sprak, weet je

wat ze dan zei?

»Beter mensch is er niet; vraag dat maar eens aan mijn man en mijn

kinderen!«

[Illustratie]

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 25 / 32 题