Kinderverdriet.
In de schoolkast van meester Fransen stond een blikken sigarenkistje.
Als meester 't opnam en even schudde, rammelde het verschrikkelijk.
Want er zat geld in, veel geld: guldens en dubbeltjes, maar vooral
centen.
»Ik ben maar goed af«, zei meester. »De kinderen zorgen, dat ik een
vetten spaarpot krijg.«
»Dat zou u wel willen, dat hij van u was«, zei dan soms zoo'n brutale
jongen. »Maar hij is lekkertjes van ons.«
En dat was de waarheid ook. De kinderen spaarden voor een
schoolreisje: elke week gaven ze een halven stuiver.
Dit jaar zouden ze naar Zwolle gaan.
En--wat het mooiste was--, alle kinderen gingen mee. Niet één behoefde
er thuis te blijven, omdat vader en moeder geen halven stuiver konden
missen.
Dat meende de meester, en dat meenden de kinderen ook allemaal. En
toch dachten ze verkeerd.
Want op een morgen, toen meester bezig was de borden te beschrijven,
kwam er een meisje het lokaal binnen.
Ze schreide.
»Wat mankeert er aan, Roelofje?« vroeg meester.
[Illustratie]
»Meester...., ik wou.... wou.... graag mijn geld.... terug hebben«,
snikte ze.
»Je geld terug, wàt geld?«
»Van het schoolreisje...., en dat van Jacob ook, meester.«
»Ga jelui dan niet mee naar Zwolle?«
»Nee meester; we mogen niet.... Vader is ziek, en.... nu heeft moeder
't geld noodig.«
Meester wist wel, dat de vader van Roelofje en Jacob ziek was. De man
had longontsteking gehad en was nog niet heelemaal genezen. Hij
begreep best, dat de vrouw nu 't reisgeld voor haar kindertjes niet
missen kon.
Hij reikte Roelofje 't geld over en vroeg: »Wat zegt de dokter van je
vader?«
»Vader moet nog een paar weken rust nemen, meester.«
»Zoo, zoo; nu ik zal eens bij jelui aanloopen, hoor!«
Denzelfden dag wist de heele school al, dat twee kinderen niet mee
gingen naar Zwolle. De tranen van Roelofje en van Jacob hadden 't half
verteld, de twee stakkers zelf de rest.
En iedereen begreep wel, waarom ze niet mee mochten. 't Huisgezin was
arm, en nu de vader ziek!
»Hè, wat jammer«, fluisterden een paar stemmen.
Menig gezichtje stond ernstig, omdat er nu twee thuisblijvers zouden
zijn. O, er waren ook wel kinderen, die alleen aan zich zelf dachten!
Maar de meesten hadden graag de helft van d'r pleizier aan Roelofje en
Jacob willen geven.
Als 't maar gekund had.
Toen Jo en Nel des middags thuis kwamen, vertelden ze alles aan moe.
Pa was voor zaken op reis en zou een paar dagen in de provincie
Groningen vertoeven.
»Vindt u 't niet naar, moe, dat ze nou moeten thuisblijven?« vroeg Jo.
»Ja, dat is wel naar«, zei moe. »Nu gaan jelui allemaal pret maken, en
zij alleen mogen niet mee.«
»Meester kon ze ook wel zoo laten, meegaan, zonder betalen«, meende
Nel.
»'t Zou kunnen«, zei moe, »maar 't is toch beter, dat ze wel betalen.«
»Maar dat kunnen ze niet«, riep Jo. En toen keek hij moe ineens
ernstig aan en zei: »Toe moe, laten wij ze helpen.«
»Ja, toe moe«, vleide Nel met haar liefste stemmetje. »Geef ons straks
geld mee, dan zullen wij dat aan den meester geven.«
»Nee, daar kan niets van komen«, zei moe.
Over de gezichten van Jo en Nel gleed een schaduw; en d'r oogen werden
een beetje vochtig.
»Dwaze kinderen, vertrouw je nu je eigen moeder niet meer?«
Moe lachte.
»'t Komt wel goed, hoor; weest maar gerust!«
't Kwam goed.
Des middags wandelde moe naar het huisje, waarin de ouders van
Roelofje en Jacob woonden.
Wat ze er deed?
Niemand, die het gewaar werd. Maar alle kinderen uit het lokaal van
meester Fransen zouden Zwolle zien: Roelofje en Jacob ook. En als
later de moeder van dat tweetal over mevrouw Veenhof sprak, weet je
wat ze dan zei?
»Beter mensch is er niet; vraag dat maar eens aan mijn man en mijn
kinderen!«
[Illustratie]