Nestje.
In 't hazelarenhout
Daar is een nest gebouwd
Van mos en veer en strootjes;
't Schuilt onder 't groene dak,
't Rust op een slanken tak,
't Wiegt boven 't blanke vlak
Der sloot--met lichte stootjes.
Het is een koningshuis
Bij 't zachte windgeruisch,
Dat gaat door struik en boomen;
Vijf koningskindren gaan
Zacht deinend af en aan,
Terwijl vier oogen staan
Te waken voor hun droomen.