XV.

Vogelgeluk.

Meneer Veenhof had een nestje gevonden. 't Zat verscholen in een

hazelaar heel achter in den tuin, en er lagen vijf jongen in. 't Was

een aardig gezicht, dat wriemelende goedje.

»Dat moest »dubbele twee« nu eens zien«, dacht hij. »Wacht, daar zijn

de kinderen juist.«

Hij wenkte met de handen en daar kwamen ze aanhollen.

»Wat is er, pa; wat is er, meneer?«

»Sst, sst«, en meneer hief waarschuwend den vinger op.

»Voorzichtig zijn, heel zachtjes loopen«, zei hij.

Op de teenen kwamen de kinderen nader.

»Wat is er, pa«, fluisterde Nel.

»Zie eens hier!«

En pa schoof voorzichtig een takje op zij.

»Och, een nestje. Wat leuk!«

»Je ziet alleen wat kopjes en wat nestharen, hé? En kijk, de pennen

van de vleugels beginnen te groeien.«

»Ze zijn heelemaal geel om den bek«, fluisterde Jo.

»Piep«, zei Klaas met z'n lippen.

[Illustratie]

Ineens gingen de geelomrande bekjes de hoogte in.

»Piep-piep-piep«, riepen de vogeltjes.

Ze dachten, dat d'r moeder gekomen was met voer.

»Laten we nu een beetje op zij gaan; misschien komt de moeder dan wel

naar d'r kindertjes toe. Kijk, daar zit ze. Ze is erg onrustig.«

De vijf menschen stapten bij het boompje weg. Maar kort duurde het of

»pjiet« zei het vogeltje en daar vloog het een beetje nader bij het

nestje.

»Pjiet, pjiet!«

En toen hipte 't weer een paar takjes verder.

De kleine kraaloogjes gluurden haastig wat rond en toen ineens....

rrrrt.... daar zat 't vogeltje bij het nest.

»Hoort dat jonge goed nu eens druk wezen«, zei pa.

»Krijgen ze nu wat, pa?« vroeg Nel.

»Ja, zag je dan niet, dat de oude wat in den snavel had?« riep Jo.

»Kijk«, riep Klaas ineens, »daar heb je 't mannetje ook!«

»Wat is het leuk goedje«, zei Nel.

De andere kinderen vonden 't ook. Zoo'n vogelhuishouding was toch maar

gezellig. Nog langen tijd bleven ze staan kijken; en toen de oude

vogels weer weggevlogen waren, gluurden ze ook nog even in 't nestje.

»Piep, piep!«

En dan kwamen de kopjes allemaal vlug in de hoogte. Maar toen de

bekjes te vergeefs naar voedsel zochten, kropen de naakte lichaampjes

weer dicht tegen elkaar aan.

Alle dagen gingen de vier kinderen het nest bespieden. Ze zagen de

jongen al grooter en grooter worden. En ze bemerkten, hoe gelukkig de

ouders waren met d'r kindertjes; hoe goed ze er op pasten.

»Die vinkenfamilie achter in den tuin moet ook maar eens opgeruimd

worden«, zei pa op zekeren dag.

»Opgeruimd?« vroegen vier kinderstemmen tegelijk.

»Ja, natuurlijk; 't zijn schadelijke vogels, wat doen we er mee?«

»U wilt ze toch geen kwaad doen?« riep Nel angstig uit.

»Wat hindert dat; 't zijn immers schadelijke vogels!«

»Maar ze doen ons geen kwaad, ze moeten toch eten.... U mag ze niet

hinderen, dat zou.... zou....«

Jo kon haast geen woorden vinden, zoo opgewonden werd hij.

»Wat zeg jij, Kee«, vroeg pa, »moet het nest hier blijven?«

»Ja, meneer«, antwoordde het meisje.

»En jij Klaas?«

»Ja, meneer!«

»Kijk, dat begrijp ik niet. Weet je nog wel van dat musschennest?

Waarom wou jelui die vogeltjes dan wel plagen en ongelukkig maken?«

De kinderen zwegen alle vier.

Maar ze dachten wel wat. Nou vonden ze gemeen, wat ze toen hadden

willen doen. Gelukkig, dat ze de eitjes niet hadden kunnen rooven....

* * * * *

»Ga jelui mee naar dien boom met het musschennest?« vroeg Klaas een

poosje later. »Ik ben er nooit weer geweest, maar ik wou wel eens

zien, of er ook jongen in liggen.«

»Ja, dat doen we!« riepen de andere drie.

Twintig minuten later beurde Jo Klaas op. De jongen keek in het gat en

zag de eitjes nog liggen.

»De vogels hebben 't nest verlaten«, zei hij.

't Was een groote teleurstelling voor de vier kinderen.

Ze gevoelden, dat ze veel geluk hadden verstoord. Toen ze terug

keerden, waren ze een heelen tijd erg stil.

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 23 / 32 题