XIII.

Moeilijke oogenblikken.

»M'n hand is te dik; ze kan er niet in,« riep Klaas naar beneden.

»Och, wat jammer,« zei Nel.

»Zal ik eens probeeren?« vroeg Jo. »Misschien zijn mijn handen wel

kleiner dan die van jou.«

Klaas klauterde naar beneden en toen vergeleken de jongens hun handen.

»Zie je wel, de mijne zijn kleiner! Ga jij nou eens staan!«

»Goed,« en Klaas steunde met z'n rug tegen den boom. Even later stond

Jo voor het gat. Het was toch erg klein, hoor! De jongen wrong en

wrong...., ha, daar ging z'n hand.

»Ik ben d'r in,« juichte hij, »en ik voel de eitjes!«

»Pas op, knijp ze niet kapot: ze zijn zoo teer,« riep Klaas.

Jo nam een paar eitjes uit het nest en wou z'n hand om hoog trekken.

Maar dat ging niet.

»Nou kan mijn hand ook niet door de opening,« zei hij.

Hij liet een eitje vallen, maar de vuist was nog te dik.

»Ben je haast klaar?« riep Klaas. »Je hebt je schoenen aan de voeten

gehouden en die doen me zeer op m'n schouders.«

Opnieuw liet Jo een eitje vallen. Nu had hij nog één in de hand. En

nog was die te dik.

»Ik kan er geen een uitkrijgen; als ik m'n vingers krom doe, is 't gat

te klein.«

»Laat ze dan maar liggen,« zuchtte Klaas. »Maar je moet naar beneden

komen, want ik kan je niet langer dragen. O, mijn schouders!«

Ja, dan moesten de eitjes maar blijven liggen. Jo trok z'n hand

terug...., wat was dat....! Ze was toch niet dikker geworden?

De jongen trok en wrong en draaide en rukte, alles tevergeefs.

»O, ik zit vast,« riep hij vol angst uit; »ik kan m'n hand niet terug

trekken.«

»Toe, gauw, m'n schouders!« steunde Klaas.

»Ik kan niet, ik kan niet...., blijf staan, Klaas!«

»Maar ik kan je niet meer dragen; verzet dan je voeten een beetje....«

Jo deed het en 't gaf z'n vriend wat opluchting.

»Probeer nu gauw los te komen, Jo!« riep Nel. Ze werd ongerust over

haar broertje. Daar stond ze nu dicht bij hem en ze kon hem niet

helpen.

Opnieuw rukte en wrong Jo, maar 't baatte niet. Z'n hand begon hem

vreeselijk pijn te doen, maar ze bleef gevangen.

Nu sprongen er tranen uit de oogen van den armen jongen, tranen van

angst. En onder zijn voeten steunde en zuchtte z'n kameraad....

»Help, help!« schreeuwde Jo ineens.

Toen werden Kee en Nel zoo verschrikt, dat ze riepen: »Wij gaan hulp

halen in dat huis van straks.«

[Illustratie]

Zoo hard ze konden liepen ze naar 't kleine boerderijtje toe. Gelukkig

was 't maar een klein eindje en nog gelukkiger was het, dat de

eigenaar juist thuis gekomen was.

De man nam vlug een laddertje op z'n schouder en volgde de twee

meisjes.

»Help, help, help....!« hoorden ze Jo roepen. Aan z'n stem konden ze

wel merken, dat hij schreide.

Maar hij niet alleen!

Klaas schreide ook; ten eerste om Jo, die zoo akelig gevangen zat, en

ten tweede om de pijn, die hij zelf gevoelde. Z'n vriend werd hoe

langer hoe zwaarder, naar 't scheen. Klaas beet op z'n tanden.....

Neen, hij mocht niet neervallen, hij moest blijven staan.... Maar z'n

knieën trilden...., z'n schouders verdoofden.... »Blijf staan,« dacht

hij, en hij sloeg z'n armen achter zich om den boom. En intusschen

biggelden dikke tranen hem over de wangen.

In Klaas z'n heele leven was dat nog geen vijf keer gebeurd.

De boer schoof het laddertje onder de voeten van Jo. Nu kon Klaas z'n

plaats verlaten. De jongen deed een paar stappen vooruit en viel toen

neer op het mos.

Maar Jo was nog niet bevrijd. Dat kostte heel wat moeite.

De boer beproefde wel de hand uit het gat te trekken, maar 't gelukte

hem evenmin als het den jongen zelf gelukt was.

»Ik zal je los moeten snijden,« zei de man eindelijk.

Jo rilde; hij dacht.... iets vreeselijks.

Maar gelukkig dacht hij verkeerd. Z'n helper sneed heel voorzichtig

wat hout uit den boom, zoodat de opening ruimer werd. Het duurde heel

lang, maar eindelijk....

»Probeer nou nog eens,« zei de man.

Jo trok, en...., gelukkig, daar schoot z'n hand naar buiten. Nog nooit

in z'n leven was de jongen zoo blij geweest, als op dat oogenblik.

Met tranen in de pogen bedankte hij z'n redder.

»Ja, ja, al lang goed. Je moet ook geen vogelnestjes uithalen, 't is

zonde,« zei de goede man. En meteen keerde hij terug naar z'n woning.

[Illustratie]

De kinderen dachten aan geen spelen meer; stilletjes keerden ze naar

het dorp terug.

Af en toe voelde Klaas eens naar z'n schouders, maar nog vaker keek

hij naar de hand van Jo.

Die was vreeselijk rood en dik.

»Mijn schuld,« dacht Klaas, »mijn schuld....!«

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 21 / 32 题