XII.

Arm Moedertje!

»Zeg, Jo, ga je mee?« riep Klaas over de heg heen.

»Waarheen?«

»Ik moet even een boodschap doen voor moe. Toe, ga mee, 't is maar een

kwartiertje loopen.«

»Ik zit in Dik Trom te lezen; 't is zoo mooi,« riep Jo terug.

Eigenlijk wou hij wel graag blijven lezen. Maar Klaas liet hem niet

met rust.

»Je kunt immers vanmiddag wel verder lezen,« zei hij. »Toe, ga nou

mee! Misschien vinden we ook nog wel een vogelnest.«

»Weet je er een?«

Jo flapte het boek dicht. Een nest! Dat wou hij graag zien!

»Nee, maar er zijn er genoeg.«

»Ik ga mee, hoor!«

»Mag ik ook mee?« vroeg Nel.

Jo keek naar Klaas, en Klaas keek naar Jo.

»Om mij wel,« zei de eerste eindelijk.

»Om mij ook wel,« zei de andere.

»Dan ga ik Kee vragen, of ze ook mee gaat,« riep Nel.

Jo en Nel vroegen moe, of ze met Klaas mee mochten, en moe vond het

goed.

Een poosje later waren de vier kinderen al op weg.

»Dubbele twee,« riep Jan Bos, een jongen uit de vierde klasse.

»Dubbele twee,« riep Piet Boers, z'n kameraad.

»Komt maar hier,« riep Klaas, en hij stak z'n vuist in de hoogte.

Daar moesten Jan en Piet niets van hebben. Ze staken even d'r tong uit

en toen maakten ze, dat ze weg kwamen.

»Dat zijn een paar echte flauwerds!« zei Klaas.

Het viertal verliet weldra den straatweg en sloeg een zandpad in. Dat

volgden ze een heel eind en toen moesten ze door een boschje. En

daarna gingen ze langs een heel smal paadje, waar ze achter elkaar

moesten loopen. Eindelijk had Klaas de woning bereikt, waarheen z'n

moeder hem met een boodschap had gezonden. Jo en Nel en Kee bleven

achter, terwijl hun vriendje op een drafje naar het kleine

boerderijtje liep. Geen vijf minuten later was de jongen reeds terug.

»En nou gaan we naar het boschje; daar kunnen we heerlijk spelen,«

riep hij.

»Ja, ja,« zei Kee, »je kunt je daar zoo fijn verschuilen.

Verstoppertje, dat ken jelui toch wel?«

Of Jo en Nel het kenden! Maar in zoo'n boschje zou het nog eens echt

zijn; zij hadden zich nooit beter kunnen verschuilen dan achter een

stoel of in een kast.

't Was wel heet, maar toch liepen de vier kinderen op een draf naar

het koele boschje. Maar voor ze begonnen te spelen, wilden ze eerst

even op het mos uitrusten.

Weldra lagen ze languit onder een eik, die nog heel jonge blaadjes

had.

»Kijk,« riep Klaas ineens, »daar zit een gat in den stam. Daar kan

best een nest in zitten.«

Hij stond op en Jo eveneens. Klaas nam een stok en sloeg tegen den

stam: klets, klets, klets....

»Rrrrrrr,« ging het plotseling en een musch vloog uit het gat.

»Zag je dat?« schreeuwde Jo. »D'r zit vast een nest in. Zullen we eens

kijken?«

Hij beproefde in den boom te klimmen, maar dat kunstje kende hij niet.

Telkens gleed hij onderuit. Wel duwde Klaas hem op, maar 't gaf niet

genoeg.

»Laat mij eens probeeren,« zei Klaas.

Hij sloeg z'n beenen om den stam en daar ging hij langzaam omhoog.

Eindelijk was z'n gezicht voor het nest.

»Er liggen eitjes in,« schreeuwde hij. Maar meteen gleed hij naar

beneden, want hij kon zich niet langer vasthouden.

»Hoeveel?« riepen de drie andere kinderen.

»Dat weet ik niet; maar ik geloof wel een stuk of zes.«

Het gezicht van Jo glom van vreugde.

»Hoe krijgen we ze d'r uit?« vroeg hij.

»Ga maar staan, zóó, met je rug tegen den boom. En dan je handen

vouwen, zóó!« riep Klaas.

Jo deed het, en nu zette Klaas z'n eenen voet in de samengevouwen

handen; daarna ging de tweede op Jo's schouder en toen de eerste ook.

»Kun je me dragen?«

»O, best hoor!«

Klaas keek nu in 't gat.

»Zeven eitjes,« riep hij.

»Haal ze d'r uit,« zei Kee.

»Ja, toe, haal ze d'r uit,« zei Nel.

»Piet, tjiet--piet, tjiet,« smeekte het muschje. Het borstje van het

vogeltje ging snel op en neer. Maar geen van het viertal, die het zag.

»Piet, tjiet--piet, tjiet,« bad het diertje. Maar de kinderen

verstonden de vogeltaal niet.

[Illustratie]

En toch was die taal zoo gemakkelijk te verstaan; want het was

dezelfde, die de moeders van de vier kinderen spraken.

»Piet, tjiet--piet, tjiet....!«

Arm moedertje, je bidt tevergeefs; wat geven deze kinderen om jou

liefde! Jij bent maar een musch, maar een klein dier, begrijp je dat!

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 20 / 32 题