Klaas kent geen bedotter.
Den volgenden dag ging Klaas naar Jo. Hij was nu volstrekt niet meer
bang voor meneer Veenhof, ook niet al had die een wit vest aan. En de
moe van Jo vond hij erg aardig. Bijna geen dag ging voorbij, of Klaas
kwam op »de villa«, zooals hij en Kee de woning van hun buren noemden.
Eerst hadden de twee kinderen met groote oogen alles bezien. Wat een
mooie stoelen, en wat een pracht van een tafel! En dan die
vloerkleeden en die gordijnen! Ze waren er stil van geworden.
Maar nu waren ze daaraan al gewend en Klaas was even luidruchtig als
Jo; en Kee babbelde niet minder hard dan Nel.
»De ooren tuiten me d'r van«, zei meneer Veenhof soms.
»Levenmakers«, riep hij, »wil je eens wat stil wezen!«
Dan stond hij op en liep op een draf achter de kinderen aan, de kamer
uit, de gang door, den tuin in.
En dan zat mevrouw in een gemakkelijken stoel voor 't open raam en
lachte hartelijk.
Ze begon zich al wat beter te gevoelen; ze was opgeruimder geworden,
en dat is voor een zieke al heel wat waard.
Nu was Klaas dan weer bij Jo.
Ze speelden samen wat in den tuin, en plaagden toen Nel een beetje.
Maar die had er niet veel aardigheid aan.
[Illustratie]
»Laat me met rust, plaaggeesten«, riep ze. Maar de plaaggeesten lieten
haar niet met rust. En toen ging Nel naar de kamer, waarin moe zat.
Want ze was bezig met een handwerkje en dat moest af; het mòest.
»Wat zullen we nou doen?« vroeg Klaas.
Daar schoot Jo plotseling wat in de gedachten. Klaas had hem gisteren
gefopt; wacht eens eventjes....
»Heb je onzen bedotter al gezien?« vroeg hij.
»Jullie bedotter?! Wat is dat voor een ding?« vroeg Klaas verwonderd.
Jo sloeg de handen in elkaar.
»Of ken je nog geen bedotter«, riep hij uit.
»Nee, wat is dat dan?«
»Bij ons in Amsterdam zijn er wie weet hoeveel. En hier bij jullie
geen een? Ik kan 't haast niet gelooven. Maar we hebben er een
meegebracht. Wil je hem eens zien?«
»Graag«, zei Klaas.
»Nou, kom dan maar!«
Jo liep naar binnen; Klaas volgde hem.
In een van de kamers stond een pendule. Het klokje werd gedragen door
een man, een reus.
»Daar staat hij«, zei Jo.
»Dat? Nou, dat is een klok!«
»Maar geen gewone, mannetje! Zie je dien reus?«
»Ja, wat zou die?«
»Als die de klok hoort slaan, draait hij z'n hoofd om.«
Daar hoorde Klaas verwonderd van op.
»Is dat waar?« vroeg hij.
»Zoo waar, zoo waar, als....«
»Nou, als....«
»Net zoo waar, als dat twee keer twee vier is.«
Dat was erg waar, vond Klaas.
»Wil je 't zien?« vroeg Jo.
»Graag, hoor!«
»Laten we dan tien minuten wachten; dan slaat de klok.«
[Illustratie]
De jongens gingen zitten. Klaas keek met groote pogen naar het
uurwerk. De wijzers gingen hem veel te langzaam.
Jo bleef niet lang zitten.
»Ik moet even weg; ik kom gauw terug«, zei hij.
En meteen stoof hij de deur uit, want hij moest eens uitproesten.
»O, moe, o, Nel«, riep hij in de andere kamer. »Wat heb ik Klaas nou
mooi te pakken!«
En toen vertelde hij, hoe z'n vriendje er op zat te wachten, dat Atlas
zijn hoofd draaide.
»Hoe kom je er bij, jongen«, lachte moe.
»Nou, moe; hij heeft mij gisteren ook zoo voor 't lapje gehouden. Ga
je mee kijken, Nel?«
Natuurlijk ging Nel mee.
Op de teenen slopen ze naar de andere kamer en keken door de reet
tusschen deur en kozijn.
Klaas zat maar geduldig te wachten.
»Nog eventjes«, hoorden Jo en Nel hem zeggen.