Het was een gepaste naam, nietwaar?
Klaas leidde Jo overal rond. Na korten tijd kende de stedeling niet
alleen het dorp, maar ook de omgeving. Vooral de bosschen en het water
vond hij mooi. En de weilanden ook met al die kleurige bloemen, en de
akkers....
Och, eigenlijk vond hij alles mooi. En hij vond het erg aardig, dat
Klaas hem zooveel liet zien en hem zooveel vertelde.
Maar Klaas fopte hem ook wel eens!
Op een middag waren ze een weiland ingegaan. Daarin liep het schaap,
dat toebehoorde aan den vader van Klaas. Maar dat vertelde de guit
niet.
»Wacht«, dacht hij, »nu zullen we eens een grap hebben.«
Hij en Jo liepen een heel eind de weide in. Eindelijk waren ze dicht
bij het schaap gekomen. Het dier herkende Klaas en kwam naar de
jongens toe.
Toen deed Klaas, alsof hij vreeselijk bang werd.
»Help, help«, schreeuwde hij, en meteen zette hij het op een loopen.
Jo werd zoo verschrikt, dat hij z'n vriend op een draf volgde.
[Illustratie]
»Loop«, schreeuwde Klaas; »als het je pakt....«
Jo rilde en versnelde z'n vaart.
Het schaap liep achter de jongens aan.
»Bê, bê«, riep het. Net of 't zeggen wou: »Maar wacht dan toch eens
eventjes.«
»Loop, daar komt het aan«, schreeuwde Klaas. Och, och, wat repten de
jongens hun beenen. 't Was precies, of Jo nu veel harder kon loopen
dan z'n vriend. Hij raakte voor, al meer en meer. Maar hij had geen
tijd om eventjes om te zien.
Daardoor merkte hij niet, dat Klaas stil bleef staan, en toen
lekkertjes in het gras ging liggen.
't Leek grappig, zooals Jo vluchtte. Klaas moest er hartelijk om
lachen. Kijk eens aan, hij liep maar door.
Eindelijk meende Jo, dat hij 't gevaar ontkomen was.
Hij draaide zich om en--, daar begreep hij niets van. Hij zag z'n
vriend liggen en 't schaap stond naast hem.
»Ben je gevallen«, schreeuwde hij. »Bijt het ook?«
Klaas stond op en danste als een dolle om het schaap heen. Allerlei
vreemde geluiden stootte hij uit.
[Illustratie]
»Wat mankeert dien jongen toch?« dacht het dier zeker. Het werd bang
en maakte, dat het weg kwam.
»Hoera«, schreeuwde Klaas, »de vijand vlucht.«
Toen rolde hij opnieuw onderst-boven en lachte, dat zijn wangen paars
werden.
»Ik heb 't gewonnen, de vijand is verslagen«, riep hij.
Eindelijk stond hij op en ging naar Jo toe.
»Hè«, zei Jo, »ik was zoo bang, dat het je kwaad zou doen. Viel je?«
»Ja«, antwoordde Klaas met een ernstig gezicht. »Maar heb je wel
gezien, dat ik het aandurfde? Ik ben nergens bang voor.«
Jo kreeg grooten eerbied voor zijn vriend. Maar toen hij later merkte,
dat die hem zoo mooi gefopt had, dacht hij: »Wacht maar, mannetje.
Leer om leer; pak je mij, ik pak je weer.«