Kousvoeteling.
»Dat kun je begrijpen; ik zal m'n mooie witje weggeven«, dacht Klaas.
»Ik zou gek zijn, als ik 't deed.«
Hij ging op z'n plaats zitten en zei niets meer.
Ook Jo zweeg.
Stilletjes werkten ze door. Een paar keeren maar gedurende den
geheelen middag fluisterden ze een woordje.
Maar toen de klok half vier had geslagen, waren ze blij. Vlug borgen
ze de schriften weg.
»Ga je nou mee?« riep Klaas, toen ze buiten de school waren.
»Graag«, antwoordde Jo. »Kom Nel«, riep hij.
Met z'n drieën liepen ze vlug den weg op. En weldra hadden ze de
woning van Klaas bereikt.
Daar achter, op een grasveldje, stond een hok met traliën.
Maar er was geen bodem onder aan den eenen kant.
»'t Is de loop«, zei Klaas. »Hier kunnen ze gras eten.«
[Illustratie]
Hij deed het hok aan den achterkant open. Nel en Jo keken nieuwsgierig
naar binnen. Daar zagen, ze in een wollig nestje vijf jonge
konijntjes liggen. Vier er van waren grijsbont, maar 't vijfde was
spierwit. Klaas legde z'n pet op den grond en vlijde de beestjes er
in. Maar het witje nam hij in z'n handen.
»Kijk eens, wat een mooi velletje; en wat een mooie oogen. Zie je wel,
dat ze rood zijn?«
»Och, wat snoezige diertjes«, riep Nel.
Jo zei niets. Maar z'n oogen schitterden.
»Heb je wel eens mooier gezien?« vroeg Klaas met trots.
»Nee, nooit«, zei Jo.
Hij streek met z'n vingers over 't donzige kopje en lichtte de fijne
oortjes even op.
»Ik wou, dat ik er ook zoo een had.«
»Ik wil het toch niet missen«, zei Klaas.
Dat begrepen Jo en Nel best.
»Maar dit zijn toch ook lieve diertjes«, zei Nel. »Kijk ze eens bij
mekaar kruipen. Ze worden koud.«
Daar kwam nog een kijkster aan. 't Was een leuk meisje met aardige
krulletjes. Die vielen over haar rug heen; net allemaal
kurketrekkertjes.
»Zeg Kee, ze zijn al weer gegroeid«, riep Klaas.
»Wie is dat?« vroeg Nel.
»Dat is Kee; ken je Kee niet? Die woont hiernaast, in dat huis.«
Het meisje zei niets, maar ze keek de drie kinderen met vriendelijke
oogjes aan.
Eindelijk legde Klaas de konijnen weer in d'r nestje en sloot het hok.
»Over veertien dagen zijn ze groot«, zei hij. »Dan kunnen ze bij de
oude vandaan.--Zullen we nou spelen?«
Jo en Nel wilden graag, maar ze moesten 't even thuis vragen.
Nu, pa en moe vonden het goed, dat ze kennis maakten met d'r buurtjes.
»Maar om half zes thuis wezen, hoor; anders vind je den hond in den
pot. En weest voorzichtig!«
»Ja moe«, riepen de twee kinderen en weg vlogen ze.
Een poosje later was de pret in vollen gang.
Twee jongens en twee meisjes liepen zoo hard ze konden om de beide
kleine huisjes heen. Ze deden tikkertje.
Klaas trok z'n klompen uit, dan kon hij harder loopen. Nu kon Jo hem
niet tikken.
»Loop ook op je kousen«, zei Klaas.
»Ik weet niet, of het wel mag; in Amsterdam deed ik het nooit«,
antwoordde Jo.
»O, 't gras is zoo zacht; 't doet heelemaal geen pijn, als je er over
loopt.«
Jo wou toch de schoenen maar niet uittrekken.
»Durf je niet?« vroeg Klaas.
»O, zeker wel.«
»Nou, doe het dan! Anders zeg ik, dat je niet durft.«
Ja, nu moest Jo z'n moed wel toonen.
Hij maakte de veters los en even later.... daar sprong hij heen. Wat
liep dat leuk; zoo licht, zoo gemakkelijk!
En het mooiste was: nu kon hij harder loopen dan Klaas.
Toen Nel zag, dat Jo op z'n kousen liep, zei ze: »Dat mag je niet
doen.«
»'t Hindert ook wat; we doen 't hier allemaal«, zei Klaas.
»Ik doe straks m'n schoenen weer aan«, dacht Jo. »Moe ziet er toch
niets van.«
[Illustratie]
Maar dat kwam anders uit.
Want toen het half zes was, kon Jo z'n schoenen niet aan de voeten
krijgen. Die waren door de warmte veel te veel gezwollen. En de
schoenen waren niet ruim.
Hoe nu?
Een poosje later keerde Nel naar huis terug. Achter haar liep Jo met
z'n schoenen in de hand. Hij hoopte, dat moe hem niet zou zien; dan
zou hij vlug een paar pantoffels aantrekken.
Maar moe zag hem wel.
»Wat is dat?« zei ze verwonderd.
Jo vertelde, wat er gebeurd was.
»'t Is wat moois«, mopperde moe. »Laat je kousen eens zien!«
Jo tilde z'n eenen voet op; hij schrok zelf van 't geen hij zag.
Onder den voet zat een dikke laag groenachtige modder.
Vijf minuten later zat hij met z'n voeten in 't bad en een paar
schoone kousen lagen naast hem.
En voor hem stond z'n moeder en zei streng: »'t Mag volstrekt niet
weer gebeuren, hoor!«
»Nee moe«, zei Jo.
En z'n stem klonk wel een beetje benauwd.
[Illustratie]