Jo en Klaas maken kennis.
Den volgenden middag gingen Jo en Nel naar de dorpsschool.
Ongeveer zeventig kinderen vermaakten zich op de speelplaats. Ze
maakten een lawaai, dat iemand hooren en zien verging.
Maar toen de twee stedelingen kwamen, werd alles stil.
»Daar zijn ze; daar zijn ze!«
Zoo klonk het van alle kanten.
Nieuwsgierig keken jongens en meisjes Jo en Nel aan. Die vonden het
niets prettig. Ze gingen dicht bij de deur staan, en ze hoopten, dat
de meester maar gauw kwam. Maar die was bezig de borden te beschrijven
en bleef dus in school.
Daar kwam een dikke jongen aanstappen.
»Dag«, zei hij; »ik ken je wel!«
Hij zette z'n beenen een eind van elkaar en stak de handen in z'n
broekzakken.
»Hoe heet je?« vroeg hij.
»Jo«, zei Jo.
»Jo? Wat een gekke naam! Ik heet Klaas.«
[Illustratie]
Hij keek net, of hij zeggen wou: »Dat is een heel andere naam,
kereltje!«
»Hoe oud ben je?« vroeg hij toen.
»Acht jaar«, zei Jo.
»Ik ben ook acht. Wil je met me spelen? Ik woon naast je.«
Het leek Jo erg begeerlijk. Maar hij durfde zich nog niet goed te
bewegen. En hij kon Nel toch ook niet laten staan, alleen tusschen al
die vreemde kinderen! Dien dikken jongen herkende hij nu wel. Hij had
hem gisteren immers gezien over de haag heen.
»Ik kan niet«, zei hij. »Dan blijft Nel alleen staan.«
»Nou, wat hindert dat«, riep Klaas. »Toe, doe maar mee; we zullen
juist tikkertje doen!«
Maar Jo wou bij zijn zusje blijven.
»Wat flauw«, mopperde Klaas, toen hij opnieuw spelen ging.
Eindelijk kwam de meester buiten. 't Was een lange man met een bril
op. Hij praatte een poosje met Jo en Nel. En toen wist hij alles, wat
hij weten moest.
De school begon.
En weet je, waar Jo nu zitten moest? Naast Klaas, in de vierde klasse.
»Jelui zijn immers buren«, zei meester.
Klaas had een kleur als vuur. Hij had al gehoopt, dat de nieuweling
bij hem mocht zitten. En nou gebeurde dat ook.
Nel werd in de vijfde klasse geplaatst, naast een meisje, dat Jantje
heette.
Daarna konden de vierde en de vijfde klasse beginnen met het
rekenwerk, dat op het bord stond. En meester ging naar de hoogste
afdeeling, waarin »de geleerden« zaten.
Klaas begon verwoed te rekenen. Ook Jo deed z'n best.
Zoo ging het ruim een half uurtje. Toen kon Klaas het niet langer
uithouden.
»Zeg, kom je vanmiddag bij me?« vroeg hij.
»Ik weet het niet«, fluisterde Jo.
»Doe 't maar; ik heb ook jonge konijnen.«
»Hoeveel?«
»Vijf. Nou, kom je?«
»Ik denk het wel«, zei Jo.
»Ze zijn al veertien dagen, en er is één wit bij.«
Dat moest Jo bepaald zien.
»Ik ga mee«, zei hij. »Hoe laat gaat de school uit?«
»Om half vier.«
»O, en we eten....«
Dit gesprek werd zacht fluisterend gevoerd. Maar meester scheen aan
alle kanten oogen en ooren te hebben.
»Klaas....,« riep hij, »kom eens hier!«
Schoorvoetend kwam Klaas nader.
»Waar had je 't over, m'n ventje. 't Was zeker over een zaak van
gewicht.«
Klaas zweeg.
»Vooruit nou, waar praatte je over?«
»Over m'n konijnen, meester«, zei de jongen fluisterend.
»Over dat mooie witje?«
»Ja meester.«
»Zal ik je eens wat zeggen, Klaas? Je mag dat mooie witje wel present
geven aan Jo. Maar je mag er hier in school niet over babbelen.
Begrepen?«
»Ja, meester.«
»Ga dan maar terug naar je plaats.«