V.

Jo en Nel ontdekken buurtjes.

De Mei was gekomen en had bloemen en bladeren gebracht. En ze had de

familie Veenhof doen verhuizen. Vader en moeder woonden nu met hun

kindertjes en Dina, de meid, in Breedega.

't Was een heele reis geweest van Amsterdam naar het kleine dorpje.

Gelukkig was de woning heelemaal klaar, toen de familie kwam. Dina was

een paar dagen te voren vooruit gegaan. Ze had het huis schoongemaakt

en de meubels een plaats gegeven. Veel kasten en tafels en stoelen

waren er niet; de meeste waren in Amsterdam gebleven. In de woning van

meneer z'n broer waren ze onderdak gebracht.

»Wel, Dina, wat heb je alles keurig netjes«, zei moe.

»Vindt u, mevrouw?«

»Ja, hoor; wat zeg jij d'r van, man?«

»Dina heeft eer van haar werk«, zei pa.

Nel en Jo vonden het huis ook mooi. Die vonden alles mooi. Ze waren

moe van de reis, maar toch stormden ze den tuin in.

»Wat een groote«, riep Jo. »Kijk eens Nel, boomen ook! Wat bloeien ze

mooi!«

»Prachtig! Wat zouden 't zijn?«

»Ik wed, appelboomen.«

»Maar 't kunnen ook wel pereboomen zijn!«

»Zullen we eens vragen?«

Jo liep al hard weg; Nel volgde hem.

»Pa, wat voor boomen staan er in den tuin? Ze zijn heelemaal wit van

bloesems.«

»Vruchtboomen«, zei pa.

»Ja, dat weten wij ook wel. Maar welke?«

Pa liep even mee naar buiten.

»Kijk, dat is een appelboom, en dat ook, en dat zijn een paar

pereboomen. En daar staat een uitgebloeide kerseboom.«

»Heerlijk; wat zullen we smullen«, riep Nel.

»Zoover is 't nog niet, juffertje. Je zult nog wel wat geduld moeten

hebben.«

»Dat heb ik wel, pa. Als ik maar vast, vast, vast weet, dat die

lekkere appels en peren en kersen komen.«

»Dan is het goed.«

Pa ging naar binnen.

Maar Nel en Jo vonden 't in den tuin veel te mooi. Ze ontdekten een

prieeltje met een bank er in. Het was bijna geheel verborgen onder

wilde hop. En welk een heerlijk grasveld was er! Daar kon je naar

hartelust in om en om-rollen; vuil werd je niet.

»Zeg Jo, kom eens hier!« riep Nel.

»Waar ben je?«

»Hier, bij de heg.«

Jo ging naast z'n zusje staan.

»Wat is er?« vroeg hij.

»Kijk daar eens; wat een paar leuke huisjes.«

»Wat klein zijn ze; zulke zie je in Amsterdam niet.«

»Wie zouden er wonen?«

»Hoe zou ik dat nou weten!«

Dat was waar. Maar Dina kwam juist den tuin in. Misschien wist die het

wel.

»Dina«, vroeg Nel, »wie wonen er in die leuke huisjes?«

»Aardige menschen«, zei Dina. »Twee vaders, twee moeders en zeven

kinderen. Ik ken ze al. In dat huisje woont de familie Veen en in dat

andere de familie Zwart.«

»Ik wou, dat ik eens iemand zag«, fluisterde Nel.

Pas had ze dat gezegd, of twee kinderen kwamen naar buiten. Verbaasd

bleven die even staan. Ze hadden Jo en Nel ontdekt. Met verwonderde

oogen keken ze de stedelingen aan. De monden gingen een beetje open en

de armen hingen slap neer.

[Illustratie]

Toen stoven ze ineens naar d'r huisjes terug. Zeker wilden ze het

groote nieuws vertellen, dat ze buren hadden gekregen.

»Hoe heeten ze, Dina?« vroeg Nel.

»Die jongen heet Klaas Veen, en dat meisje Kee Zwart«, zei Dina.

[Illustratie]

»Hoe oud zouden ze zijn?«

»Dat weet ik niet. Misschien een jaar of acht, negen.«

Nel was bijna tien jaar en Jo haast negen.

»Dan zouden we met ze kunnen spelen«, zei Jo.

»Wel zeker«, zei Dina, »'t zijn heel aardige kinderen.«

Dina ging weer naar binnen, en Jo en Nel bleven dus alleen.

Ze wachtten en wachtten of Klaas en Kee ook opnieuw zouden

verschijnen.

Ja, hoor, daar kwamen ze aan; daar stonden ze al.

»Zullen we ze roepen?« vroeg Jo zacht.

»Durf jij?« fluisterde Nel terug.

Geen van de twee durfde.

En Klaas en Kee durfden zeker ook niets te zeggen.

Zoo stonden de beide paartjes ongeveer twintig meters van elkaar. Ze

keken en keken en ze wilden graag met elkaar praten. Maar ze deden het

niet!

Daar verscheen pa.

»Domme kinders«, lachte hij, »je eet mekaar toch niet op.« »Komt hier

eens heen«, riep hij tegen Klaas en Kee.

En weet je wat die deden? Ze keken dien vreemden meneer eens aan en

toen...... Toen schuifelden ze zachtjes aan achteruit, en verdwenen om

den hoek van het eene kleine huis.

Voor zoo'n meneer met een wit vest aan waren ze bang.

Meneer Veenhof lachte en ging met Jo en Nel naar binnen.

»'t Zal wel veranderen«, lachte hij; »'t zal wel veranderen.«

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 10 / 32 题