»Ik zal ze maar niet laten zoeken«, dacht mevrouw.
»Hier«, riep ze, »in de slaapkamer!«
Maar och, och, wat speet het haar, dat ze dat gezegd had.
»Bom, bom, bom, bom!«
Met een vreeselijk lawaai stormden Jo en Nel de trap op.
»Je schoenen, je schoenen!« riep mevrouw.
»Schoon«, riepen de kinderen, »honderd maal geveegd!«
»Ja, ja, dat zie ik. Kijk eens, de stukken modder vliegen achter jelui
uit. Ondeugende kinders, dat je bent....«
Meer kon ze niet zeggen. Want Nel pakte haar van den eenen kant aan
en Jo van den anderen.
»Waarom is u weggekropen? Nu zullen we u eens eventjes mores leeren!«
»Maar ik....«
»Nee, u mag niet tegenspreken; u is wel weggekropen; u wou ons foppen!
Foei!«
En de ondeugden trokken aan de lachende moeder, en duwden haar, dat
het schande was. Maar de moeder zelf vond het geen schande. Nee hoor,
ze had de grootste pret. Ze liet wat met zich sollen, maar toen zei ze
ineens:
»Dag Jo, dag Nel!«
Hé ja, dat hadden de wildzangen vergeten.
»Dag moe«, zeiden ze. En meteen gaven ze moe, wat haar toekwam.
»En nu gaan we naar beneden, hoor! Wel foei, wat heb je me moe
gemaakt. Vandaag heb ik nog wel zoo hard moeten werken! Jelui had je
arme moeder wat moeten sparen.«
»Gaat die arme moeder nu straks met ons naar het station?« vroeg Jo.
»Ja, arme moeder?« vroeg Nel.
»Ik geloof, dat het beter is, dat ik thuis blijf.«
»Dat meent u toch niet?« riepen twee stemmen verschrikt.
»Dat meen ik nu wèl«, zei moe. »Ik voel me niet erg lekker; ik ben
moe en huiverig.«
»Och toe, laten we pa van den trein halen! Wat zal die anders wel
zeggen?«
»Hij zal wel thuis komen, kinderen. Echt waar, 't is beter, dat ik
binnen de deur blijf.«
»Dan mogen wij ook niet«, zuchtte Nel. »En we hadden er nog wel op
gerekend. Als u uw diksten mantel aantrekt....«
Mevrouw dacht even na. Ze begreep wel, dat het voor de kinderen een
heele teleurstelling was, als ze hun vader niet van den trein mochten
halen.
»Dan moet het maar gebeuren«, zei ze eindelijk. »Ik zal er me goed
instoppen.«