I.

Twee levenmakers.

't Was in 't laatst van November.

De dagen waren al kort. En ze leken nog korter, doordat de lucht

meestal met donkere wolken was bedekt.

Mevrouw Veenhof zat in de slaapkamer op een stoel, waarop ze even

neergevallen was. Ze had hard gewerkt, want Dina, de meid, was er

niet. Die bracht een bezoek aan haar jarige moeder, een paar uren

buiten de stad. Nu had mevrouw het werk alleen moeten doen en daardoor

gevoelde ze zich moe.

»Hé, dat Johan en Nelly nog niet thuis zijn! De school is nu toch wel

uit«, dacht ze.

Ze keek op de klok.

»Kwart over vier! Ik dacht, dat het later was; 't is al zoo donker.

Maar nu zullen de kinderen er toch wel gauw zijn. Wacht, hoor ik ze

daar niet?«

Haastige voetstappen klonken op de straat voor de woning. Daarna ging

de deur open en klapte met een luiden slag weer toe.

De deur van de huiskamer piepte eventjes.

»Moe!« riep een meisjesstem.

Mevrouw Veenhof lachte en hield zich stil.

[Illustratie]

»Moe!« riep de stem nog eens. En toen nog eens en nog eens:

»Moe! Moe!«

»Waar zou ze zijn, Nel?« vroeg een jongensstem.

»Ik weet het niet, Jo! Toe, roep jij eens!«

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 5 / 32 题