II.

Moe wordt ziek.

Een uurtje later liepen een dame en twee kinderen door de bijna

verlaten straten. De wind woei om de hoeken heen met zooveel kracht,

dat het drietal er met moeite tegenin kon komen. En de wolken lieten

droppels vallen; eerst enkele, maar weldra meer en meer.

»Wat een weer«, zuchtte mevrouw Veenhof. »Waren we maar niet gegaan,

of hadden we tenminste maar een rijtuig genomen!«

[Illustratie]

Jo en Nel zeiden niets. Ze vonden 't weer ook wel heel leelijk, maar

ze verlangden erg naar hun vader. Ze hadden hem in een week niet

gezien.

Een kwartier later hadden ze hem weer bij zich. Jo hing aan zijn

eenen en Nel aan zijn anderen arm.

»Hoe durfde je er door?« vroeg meneer Veenhof.

»Och, de kinderen«, zei z'n vrouw.

»'t Is immers geen weer om te loopen. We nemen een rijtuig, hoor!«

»Heerlijk«, riepen Jo en Nel. »Dat winnen we d'r bij.«

Eenige minuten later reden ze gezellig door den stormwind. Gezellig,

want ze zaten zoo welbeschut, nu buiten het rijtuig de wind gierde.

Spoedig waren ze thuis.

»Hè, foei, dat was me straks een tochtje«, zei mevrouw, toen ze goed

en wel op den stoel zat. »Ik heb er waarlijk pijn in de zij van

gekregen.«

Meteen hoestte ze en trok rimpels in haar gezicht.

»Wat mankeert er aan?« vroeg meneer.

»Het hoesten doet me pijn.«

»In de zij?«

Mevrouw knikte.

»'t Was ook geen weer om uit te gaan«, zei meneer. »Ik hoop, dat het

maar gauw wat opknapt.«

De kinderen gingen om acht uur naar bed.

Pa en moe bleven nog een poos praten, maar vroeger dan gewoonlijk

schoven ze ook maar onder de dekens.

Moe hoestte en rilde en was voortdurend wakker.

En den volgenden morgen kon ze niet opstaan.

»Jo, loop eens naar dokter Thijssen, en vraag, of hij dadelijk wil

komen«, zei pa.

»Ja, pa!«

Jo liep zoo hard hij kon; want z'n moeder was immers ziek!

O, wat speet het hem, dat hij en Nel haar gisteren overgehaald hadden

naar het station te gaan.

Nooit, nooit zou hij 't weer doen.

Terwijl hij zoo dacht, liep hij als een haas.

Gelukkig, de dokter was thuis.

»Over een kwartier ben ik bij jelui«, zei hij.

En dat was hij ook. Toen hij hun woning verlaten had, hoorden de

kinderen, wat moe scheelde.

»Longontsteking«, zei pa.

En z'n gezicht stond heel ernstig.

De ziekte van mevrouw Veenhof verergerde snel. Na een paar dagen was

de arme vrouw erg zwak geworden. Ze leed aan hevige koortsen en ijlde

dikwijls.

Vol zorg keek haar man dan naar de zieke.

En Jo? En Nel?

Jo had nergens plezier in. Zijn beste vrienden konden hem niet mee

krijgen. Als de school uitgegaan was, liep hij op een draf naar huis.

Dan keek hij naar z'n moe en ging voor haar bed zitten. Maar lang

hield hij dat nooit vol. Na korten tijd stond hij op en zwierf door

het geheele huis. En dan ging hij opnieuw naar de ziekenkamer en zette

zich doodstil neer.

Nel was bijna altijd bij moe. Dat wil zeggen, als ze mocht. Want pa

wou het niet altijd hebben. Maar als ze mocht, zat ze voor het

ledikant. En dan nam ze moe's hand in de hare. En dan gaf ze moe, wat

die noodig had: drinken of een stukje sinaasappel, of een lepel uit

het medicijnfleschje. Dat laatste vooral deed ze heel graag. Want dat

moest moe genezen.

Nu, gelukkig kwam er na een dag of tien beterschap. De koortsen bleven

weg en moe herstelde, langzaam aan.

Ja, langzaam aan; eigenlijk te langzaam.

De hoest wou maar niet verdwijnen en moe's wangen bleven bleek. En d'r

handen waren nog zoo dun en wit.

Maar eindelijk mocht ze toch weer in den stoel voor het raam zitten.

Dat was een feest voor de kinderen.

Jo droeg een leuningstoel aan en Nel legde er een paar kussens in.

»Want moe moet gemakkelijk zitten«, dacht ze.

[Illustratie]

En toen keken de beide kinderen stil als muisjes toe, hoe pa moe

steunde.

Voetje voor voetje ging het.

Gelukkig, daar zat moe.

Toen klopten de hartjes van Jo en Nel erg blij. Want nu hadden ze hun

lief moedertje terug; nu zat ze voor het raam en lachte.

Ze gingen elk aan een kant van den leunstoel staan en toen...

Ja, toen zeiden ze niets en toen deden ze niets.

Ze hadden gedacht, dat ze een danspartij zouden houden. En nu waren ze

stil en hielden elk een vermagerde hand vast.

Toch vonden ze 't niets vreemd.

Toch waren ze erg, èrg blij!

Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar · 第 7 / 32 题