Moe wordt ziek.
Een uurtje later liepen een dame en twee kinderen door de bijna
verlaten straten. De wind woei om de hoeken heen met zooveel kracht,
dat het drietal er met moeite tegenin kon komen. En de wolken lieten
droppels vallen; eerst enkele, maar weldra meer en meer.
»Wat een weer«, zuchtte mevrouw Veenhof. »Waren we maar niet gegaan,
of hadden we tenminste maar een rijtuig genomen!«
[Illustratie]
Jo en Nel zeiden niets. Ze vonden 't weer ook wel heel leelijk, maar
ze verlangden erg naar hun vader. Ze hadden hem in een week niet
gezien.
Een kwartier later hadden ze hem weer bij zich. Jo hing aan zijn
eenen en Nel aan zijn anderen arm.
»Hoe durfde je er door?« vroeg meneer Veenhof.
»Och, de kinderen«, zei z'n vrouw.
»'t Is immers geen weer om te loopen. We nemen een rijtuig, hoor!«
»Heerlijk«, riepen Jo en Nel. »Dat winnen we d'r bij.«
Eenige minuten later reden ze gezellig door den stormwind. Gezellig,
want ze zaten zoo welbeschut, nu buiten het rijtuig de wind gierde.
Spoedig waren ze thuis.
»Hè, foei, dat was me straks een tochtje«, zei mevrouw, toen ze goed
en wel op den stoel zat. »Ik heb er waarlijk pijn in de zij van
gekregen.«
Meteen hoestte ze en trok rimpels in haar gezicht.
»Wat mankeert er aan?« vroeg meneer.
»Het hoesten doet me pijn.«
»In de zij?«
Mevrouw knikte.
»'t Was ook geen weer om uit te gaan«, zei meneer. »Ik hoop, dat het
maar gauw wat opknapt.«
De kinderen gingen om acht uur naar bed.
Pa en moe bleven nog een poos praten, maar vroeger dan gewoonlijk
schoven ze ook maar onder de dekens.
Moe hoestte en rilde en was voortdurend wakker.
En den volgenden morgen kon ze niet opstaan.
»Jo, loop eens naar dokter Thijssen, en vraag, of hij dadelijk wil
komen«, zei pa.
»Ja, pa!«
Jo liep zoo hard hij kon; want z'n moeder was immers ziek!
O, wat speet het hem, dat hij en Nel haar gisteren overgehaald hadden
naar het station te gaan.
Nooit, nooit zou hij 't weer doen.
Terwijl hij zoo dacht, liep hij als een haas.
Gelukkig, de dokter was thuis.
»Over een kwartier ben ik bij jelui«, zei hij.
En dat was hij ook. Toen hij hun woning verlaten had, hoorden de
kinderen, wat moe scheelde.
»Longontsteking«, zei pa.
En z'n gezicht stond heel ernstig.
De ziekte van mevrouw Veenhof verergerde snel. Na een paar dagen was
de arme vrouw erg zwak geworden. Ze leed aan hevige koortsen en ijlde
dikwijls.
Vol zorg keek haar man dan naar de zieke.
En Jo? En Nel?
Jo had nergens plezier in. Zijn beste vrienden konden hem niet mee
krijgen. Als de school uitgegaan was, liep hij op een draf naar huis.
Dan keek hij naar z'n moe en ging voor haar bed zitten. Maar lang
hield hij dat nooit vol. Na korten tijd stond hij op en zwierf door
het geheele huis. En dan ging hij opnieuw naar de ziekenkamer en zette
zich doodstil neer.
Nel was bijna altijd bij moe. Dat wil zeggen, als ze mocht. Want pa
wou het niet altijd hebben. Maar als ze mocht, zat ze voor het
ledikant. En dan nam ze moe's hand in de hare. En dan gaf ze moe, wat
die noodig had: drinken of een stukje sinaasappel, of een lepel uit
het medicijnfleschje. Dat laatste vooral deed ze heel graag. Want dat
moest moe genezen.
Nu, gelukkig kwam er na een dag of tien beterschap. De koortsen bleven
weg en moe herstelde, langzaam aan.
Ja, langzaam aan; eigenlijk te langzaam.
De hoest wou maar niet verdwijnen en moe's wangen bleven bleek. En d'r
handen waren nog zoo dun en wit.
Maar eindelijk mocht ze toch weer in den stoel voor het raam zitten.
Dat was een feest voor de kinderen.
Jo droeg een leuningstoel aan en Nel legde er een paar kussens in.
»Want moe moet gemakkelijk zitten«, dacht ze.
[Illustratie]
En toen keken de beide kinderen stil als muisjes toe, hoe pa moe
steunde.
Voetje voor voetje ging het.
Gelukkig, daar zat moe.
Toen klopten de hartjes van Jo en Nel erg blij. Want nu hadden ze hun
lief moedertje terug; nu zat ze voor het raam en lachte.
Ze gingen elk aan een kant van den leunstoel staan en toen...
Ja, toen zeiden ze niets en toen deden ze niets.
Ze hadden gedacht, dat ze een danspartij zouden houden. En nu waren ze
stil en hielden elk een vermagerde hand vast.
Toch vonden ze 't niets vreemd.
Toch waren ze erg, èrg blij!