Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand
zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar
loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn
jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens
iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn
we nooit. En later....
Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit
flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".
's Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner
Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet
meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is
in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan
het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,
"wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring
"Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"
Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt
't interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen",
sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke
ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm
gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."
Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't
woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele
leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er
zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine
moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje
twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén
geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren,
hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel
gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.
Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die
commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten
zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en
gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent
van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen
Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond
ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n
hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De
prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen,
ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven,
opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden
geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar
zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten,
waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer
uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek,
een prachtuitgave van de Divina Commedia.
Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste
daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls
gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.
Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas,
die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen
stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje
wandelen.
Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of
slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt
zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i
met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er
dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij
tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger
"een geestelijk leven geleid heeft."
Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog
eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat
schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op
geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om
in een deftige apotheek op te hangen.
Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde
luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar
't volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein,
maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan
en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij
tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van
den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags
moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had
kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.
Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone
zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet
aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.
En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu
de onderlijfjes van z'n zusters te droogen.