XI.

Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las:

"P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't

Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en

ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op

kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite

de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur

werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo

Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.

In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik

zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge

mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.

Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In

't schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer"

lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik

zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger,

mijnheer." Hij klopte.

Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen,

de deur ging weer dicht en daar stond ik.

Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein

achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan

den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier

hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch

ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te

tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk

papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den

breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en

naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen

donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.

De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,

hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur,

ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik

niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella

città dolente."

Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig

en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem

vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was

speciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dat

hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel

wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep

't volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan,

kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld

was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een

vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog

wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i

dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui,

waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.

Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek

naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar

z'n oogen.

En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,

die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je

hoorde en niet zag.

Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente,

Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand

op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"

Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n

zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd

zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette

terug, beleefd en minzaam.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 37 / 43 题