XIII.

En Bavink?

Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die

geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar

gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken,

toen de strijd al op 't eind liep.

Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen,

dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was

't. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de

roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen,

de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,

rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van

gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.

't Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van

mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij

stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg

met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze,

maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.

Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de

Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een

haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan

mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon

stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i,

er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de

spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de

kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde

't licht fel op de wagens.

Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht

kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een

conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging

maakte van drinken met de hand aan den mond.

Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die

zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht

voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit

geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen

flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van

den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.

"Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt

geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch

ook niks van."

"Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande

zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch

staat-i daar weer iederen avond."

"Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden.

"Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou

al--hoe lang al?"

"Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je

wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"

Ik zweeg.

"Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil

met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire

hoedendoos. Hij verdient niet beter."

Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in

een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak

mij aan.

"Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis

brengt."

Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de

huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even

wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos

beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.

Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste

zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons

niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon,

die in wolken onderging.

"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van

elkaar moeten." Verder kwam-i niet.

Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij

kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of

zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,

maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet

krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.

En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft

maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.

Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af

en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat

ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine

rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan

de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:

"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan

die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat

ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo

gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 39 / 43 题