Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van
den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een
zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn
gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette,
op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik
meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal
dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al
dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer
daar iets van gesnapt heeft.
Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald
een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame
genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een
fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel
duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen,
waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident
met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe
was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.
En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar
de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den
spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van
mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde
als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in
de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat
ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder
al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen
zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden,
hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik
van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van
't zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat
van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van
't nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met
praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik
zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond,
ik hoorde 't duidelijk.
Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even
voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker
't privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een
heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een
kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een
kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.
De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,
met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes,
keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.
Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende
licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel,
een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel
gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren,
allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret
van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had
Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw"
overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd
vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt,
toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van
een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En
de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als
lid van "Arti".
Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En
of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een
tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees
in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden
werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor
'm gevonden bij de gasfabriek.
"Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven
z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met
een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet
de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die
dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben
gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer
in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was
een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand
geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.
Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en
zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den
hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen
elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons
daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en
mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen
was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde
Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En
nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer
modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik
een conferentie."
Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe
kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen
zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.