IX.

Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op

't plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische

trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van

politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog

niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat

weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind

er boven uit. Dat was dus nog in orde.

En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even

netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder

op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog

altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in

't leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun

kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar

nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in

't reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest,

en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een

meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies

wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook

't Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.

Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar

goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar

allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den

eenen kant naar den anderen oversteken.

Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige

heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets

was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal,

't groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van

de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En

ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei

dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen

winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de

schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de

straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon

voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was

nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen

ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik,

dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was,

er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.

En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden

aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En

dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun

stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder

hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen

in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van

meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou

zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten,

die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?

En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven

en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept

zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden

misschien, en ook vergeten.

Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar

zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar

de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 35 / 43 题