VIII.

In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg

en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den

gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid

met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek

er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver,

overgingen in de vlakte.

Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de

aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag

't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis,

een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht

was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.

Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug,

op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna

iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker

wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij

in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop

Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.

Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en

verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En

mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in

mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.

In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de

berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in

't Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet,

omspoeld door de oneindigheid.

Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand

vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon,

die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan

was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle

flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan

de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die

ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,

terwijl de oceaan golfde.

En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het

verlangen, zonder te weten waarnaar.

Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij

waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan,

en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn

verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt

aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren,

de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes

met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen

in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in

't villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag

Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de

wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat

alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?

Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en

mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't

westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan

zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden

en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat

mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven

zal in eeuwigheid?

Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig

was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en

't schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En

ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden

van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige

weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had

en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo

vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen

met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan

blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?

En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de

kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had

ik dit alles weergezien.

En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.

God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen

staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen

wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en

schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos

't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er

door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht

naar de zee.

En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk

en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie

't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.

En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de

schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de

wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid,

dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben

dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan

en voel mij God, de oneindigheid zelf.

Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.

Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.

Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes · 第 34 / 43 题